ECLI:NL:RBDHA:2025:3894
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens tijdige beslissing op Woo-verzoek door CVOM
Eiser heeft op 16 mei 2024 een verzoek om informatie ingediend bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) op grond van de Wet open overheid (Woo). Nadat de CVOM niet tijdig op het verzoek had beslist, stelde eiser de CVOM in gebreke en stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De CVOM verstrekte de gevraagde informatie op 4 september 2024 per e-mail, wat door de rechtbank als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht werd aangemerkt. Een nadere motivering volgde op 3 december 2024. Hierdoor verloor eiser belang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
Eiser had verzocht om vergoeding van proceskosten, waaronder reiskosten en verletkosten, maar de rechtbank oordeelde dat deze kosten niet redelijkerwijs waren gemaakt, mede omdat de CVOM het griffierecht al had aangeboden te vergoeden. De rechtbank bepaalde dat de CVOM het griffierecht van €187,- aan eiser moet vergoeden.
De rechtbank behandelde het beroep op zitting op 9 december 2024, waarna het onderzoek werd heropend om een e-mailwisseling tussen partijen te betrekken. De rechtbank gaf eiser de gelegenheid schriftelijk te reageren en besloot uiteindelijk zonder nadere zitting uitspraak te doen.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.D. Gunster op 14 maart 2025. Partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het Woo-verzoek is niet-ontvankelijk verklaard en het griffierecht wordt aan eiser vergoed.