ECLI:NL:RBDHA:2025:3865
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen ophouding op grond van Vreemdelingenwet 2000
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen haar ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep is op 25 februari 2025 behandeld, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet zijn verschenen, ondanks een bericht van afmelding.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in het beroepschrift slechts een algemene stelling heeft opgenomen dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig zou zijn, zonder concrete gronden te vermelden. Dit voldoet niet aan de vereisten van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ondanks de mogelijkheid om op de zitting alsnog gronden naar voren te brengen, is hiervan geen gebruik gemaakt.
De rechtbank overweegt dat een ophouding niet gelijkgesteld kan worden aan een maatregel van bewaring, zodat zij niet ambtshalve de rechtmatigheid hoeft te toetsen. Gezien het ontbreken van beroepsgronden verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van concrete beroepsgronden.