ECLI:NL:RBDHA:2025:3858

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2025
Publicatiedatum
12 maart 2025
Zaaknummer
NL25.9937
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenzaak

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de Minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was inmiddels opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging onrechtmatig was en of schadevergoeding moest worden toegekend.

De rechtbank stelde vast dat eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde feiten niet had betwist. De gronden, waaronder een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordeningen en een significant risico op onderduiken, waren feitelijk juist en voldoende toegelicht. Eiser voerde aan dat een lichter middel passend was omdat hij zich beschikbaar hield en de meldplicht naleefde, maar verweerder stelde dat eiser niet op eigen initiatief contact had gezocht en herhaaldelijk niet was verschenen bij vertrekgesprekken.

Gelet op het risico op onderduiken en het gedrag van eiser oordeelde de rechtbank dat de maatregel van bewaring terecht was opgelegd en dat geen minder dwingende maatregel toereikend was. De ambtshalve toetsing bevestigde dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard en afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen omdat de maatregel niet onrechtmatig was.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9937

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 5 maart 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven de zaak schriftelijk te behandelen. Het onderzoek is op 12 maart 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1999.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [1] en een significant risico bestond dat eiser gaat onderduiken. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een significant risico op onderduiken reeds daarmee is gegeven.
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij zich altijd beschikbaar heeft gehouden voor de overdracht en de meldplicht heeft nageleefd. Hij heeft geen verplichting volgens de Vreemdelingenwet om zelf proactief zijn overdracht te regelen, zoals verweerder lijkt te suggereren. Het is de verantwoordelijkheid van DT&V [4] om de benodigde stappen te ondernemen om de overdracht te organiseren. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat eiser niet op eigen initiatief contact heeft opgenomen met de DT&V om zijn overdracht te
bewerkstelligen én hij meermaals niet is verschenen op vertrekgesprekken. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de maatregel ook aangegeven dat hij niet naar Duitsland wenst te gaan. In dat gehoor heeft hij verder geen omstandigheden aangevoerd die het opleggen van de maatregel voor hem onevenredig zwaar zouden maken.
6. Gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het risico op onderduiking dat daaruit voortvloeit, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende en minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat eiser meermaals niet is verschenen op vertrekgesprekken en heeft aangegeven dat hij niet naar Duitsland wenst terug te keren. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Ook de ambtshalve toetsing [5] leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 maart 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.de Dienst Terugkeer en Vertrek
5.HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.