ECLI:NL:RBDHA:2025:384

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2025
Publicatiedatum
14 januari 2025
Zaaknummer
C/09/666979
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253q BWArt. 1:253r BWArt. 1:282 BWArt. 25 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag moeder en benoeming grootouders tot voogden minderjarige

De moeder verzoekt de rechtbank om haar ouderlijk gezag over haar minderjarige zoon te beëindigen en de grootouders te benoemen tot voogden. De moeder heeft een verstandelijke beperking en is feitelijk niet in staat het gezag uit te oefenen. De biologische vader is niet in beeld. De grootouders, ouders van de moeder, wonen samen met moeder en kind en hebben zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

Hoewel de wet vereist dat een gezamenlijk voogdijverzoek wordt gedaan door een voogd en een ander die in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, en de grootouders geen voogd zijn, acht de rechtbank het verzoek gegrond vanwege instemming en bereidheid van de grootouders en het belang van het kind. De rechtbank vult de rechtsgronden ambtshalve aan op grond van artikel 25 Rv Pro en baseert het verzoek op artikel 1:282 BW Pro.

De rechtbank oordeelt dat het in het belang van de minderjarige is dat het gezag aan de grootouders wordt toegekend, mede omdat de moeder voornemens is te verhuizen en het kind bij de grootouders achterlaat. De beschikking beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder en benoemt de grootouders tot gezamenlijke voogden, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en de grootouders worden benoemd tot gezamenlijke voogden over de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-3759
Zaaknummer: C/09/666979
Datum beschikking: 14 januari 2025

Voorziening in de voogdij

Beschikking op het op 21 mei 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Schnoor in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbenden wordt aangemerkt:

[de opa] ,

de opa,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en

[de oma] ,

de oma,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De opa en de oma worden hierna ook gezamenlijk de grootouders genoemd.

Waar gaat deze zaak over?

De moeder verzoekt haar te schorsen uit het gezag over [de minderjarige] en de grootouders te benoemen als voogd. De grootouders stemmen in met het verzoek.

Feiten

- Uit de moeder is geboren de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] ( [de minderjarige] ).
- De moeder oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] .
- [de minderjarige] is niet erkend.
- De moeder en [de minderjarige] wonen bij de grootouders.
- De grootouders zijn de ouders van de moeder.
- De grootouders hebben zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

Beoordeling

De moeder baseert haar verzoek op artikel 1:253r, lid 1 in samenhang met artikel 1:253q van het Burgerlijk Wetboek (BW). De moeder stelt onbetwist dat zij (tijdelijk) niet in staat is het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen en dat de biologische vader niet in beeld is. De moeder heeft een verstandelijke beperking en is feitelijk niet in staat het ouderlijk gezag vorm en inhoud te geven. Als gevolg daarvan moet een voorziening in de voogdij worden getroffen die in het belang van [de minderjarige] is. De artikelen 1:253q en 1:253r BW voorzien echter niet in de mogelijkheid dat de grootouders met de gezamenlijke voogdij worden belast.
Gezamenlijke uitoefening van de voogdij is op grond van artikel 1:282 BW Pro alleen mogelijk op eensluidend verzoek van de voogd en een ander die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat. Het verzoek wordt afgewezen als er gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind worden verwaarloosd. Volgens de letter van de wet moet dus één van beide verzoekers ten tijde van het verzoek voogd van het kind zijn. Omdat beide grootouders geen voogd van [de minderjarige] zijn, wordt hier niet aan voldaan. Echter, omdat het op grond van artikel 1:282 BW Pro mogelijk is dat twee personen met de gezamenlijke voogdij worden belast, is de rechtbank van oordeel dat een dergelijk gezamenlijk voogdijverzoek ook in dit geval mogelijk is. De grootouders hebben dit verzoek gedaan in de vorm van instemming met het verzoek van de moeder en hun bereidverklaring de voogdij op zich te nemen. Een goede proceseconomie en het belang van zowel de moeder als [de minderjarige] staat eraan in de weg dat voor het bewerkstelligen van de gezamenlijke voogdij een afzonderlijke procedure gevoerd zou moeten worden. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 25 Rv Pro de rechtsgronden ambtshalve aanvullen en het verzoek baseren op artikel 1:282 BW Pro.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De moeder woont samen met [de minderjarige] bij de grootouders. Sinds de geboorte bemoeit de moeder zich nauwelijks met de verzorging en opvoeding van haar zoon, zij laat dit volledig over aan de grootouders. De moeder is nu voornemens de grootouders te verlaten en samen te gaan wonen met een nieuwe partner, niet zijnde de biologische vader van [de minderjarige] . Zij zal [de minderjarige] bij haar ouders achterlaten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek om voogdij toewijzen. Dit betekent dat het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en het gezag over [de minderjarige] in de vorm van gezamenlijke voogdij aan de grootouders wordt toegekend.

Beslissing

De rechtbank:
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige] ;
benoemt [de opa] en [de oma] , beiden wonende te ’s-Gravenhage, tot voogden over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.C.M. Guit-van den Berg als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 14 januari 2025.