De zaak betreft een verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling, die het contact met haar minderjarige kind beperkte, te laten vervallen en een zorgregeling vast te stellen. De minderjarige verblijft in een woongroep en staat onder toezicht met een machtiging tot uithuisplaatsing.
De moeder betoogt dat de schriftelijke aanwijzing onvoldoende gemotiveerd is en dat het contact met haar kind altijd goed verliep. Zij maakt zich zorgen over het gedrag van de minderjarige en wil het contact uitbreiden naar onbegeleide omgang van vier uur per week, met het oog op het recht op gezinsleven. De gecertificeerde instelling verdedigt de aanwijzing vanwege zorgelijke uitspraken van de minderjarige en de noodzaak tot bescherming.
De kinderrechter oordeelt dat de beperking van het contact verder gaat dan noodzakelijk is en dat het belang van de minderjarige juist gediend is met regelmatige omgang. De schriftelijke aanwijzing wordt vervallen verklaard en een zorgregeling vastgesteld waarbij de moeder één keer per week onbegeleid vier uur contact heeft, afwisselend thuis en op een neutrale plek. De gecertificeerde instelling voert regie over eventuele uitbreiding en partijen dienen in overleg te treden.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door betrokken partijen.