De minister van Asiel en Migratie legde op 17 februari 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 21 februari 2025 opgeheven vanwege het opleggen van een nieuwe maatregel.
De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing en of eiser recht had op schadevergoeding. De minister had zware gronden aangevoerd, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en onvoldoende medewerking aan het vaststellen van zijn identiteit verleende. De rechtbank achtte deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd.
Eiser voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast, onder meer omdat hij naar Spanje wilde waar zijn vrouw en kind wonen. De rechtbank oordeelde dat de minister dit standpunt voldoende had gemotiveerd en dat het risico op onttrekking zwaar woog. De ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de bewaring niet onrechtmatig was geweest.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.