ECLI:NL:RBDHA:2025:361
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
Eiseres, een Indiase vrouw met medische klachten, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar meerderjarige zoon in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat er sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en haar zoon, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had vastgesteld dat eiseres niet voldoende had onderbouwd dat zij niet adequaat in India verzorgd kon worden, mede omdat professionele zorg daar beschikbaar is en eiseres geen objectief bewijs leverde van haar afhankelijkheid. Ook de emotionele afhankelijkheid werd als normaal in een ouder-kind relatie beoordeeld.
Daarnaast werd de belangenafweging met betrekking tot de kleinkinderen niet onrechtmatig geacht, waarbij werd meegewogen dat het vertrek van eiseres naar India geen ontwikkelingsbedreiging voor de kleinkinderen oplevert. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
De rechtbank concludeerde dat de uitzetting niet in strijd is met het recht op familie- en gezinsleven en dat het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden. De aanvraag voor een verblijfsvergunning blijft afgewezen en het terugkeerbesluit blijft van kracht.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.