ECLI:NL:RBDHA:2025:357
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing aanvraag vreemdelingenrecht niet-ontvankelijk verklaard
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter op 14 januari 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie.
Verzoeker had geen gronden vermeld in zijn verzoekschrift, ondanks dat de rechtbank hem twee keer in de gelegenheid heeft gesteld dit te herstellen. De eerste termijn van vier weken en een tweede termijn van twee weken werden verstreken zonder dat verzoeker gronden aanleverde of een reden gaf voor het verzuim.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk is en heeft het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.