Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de Minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Overwegingen
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
voorhanden hebben, waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals is”, neergelegd in artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit wetsartikel maakt expliciet onderscheid tussen het misdrijf “het afleveren of voorhanden hebben” en het misdrijf “opzettelijk gebruik maken”. Aangezien eiser bij zijn staandehouding in Nederland zijn Turkse paspoort heeft getoond en niet is gebleken dat hij in Nederland gebruikt heeft gemaakt van de valse Bulgaarse identiteitskaart, heeft verweerder de grond 3g ten onrechte aan de maatregel ten grondslag gelegd. Uit het strafrechtelijk verwijt dat wordt gemaakt met het “voorhanden hebben” blijkt dus niet een onttrekkingsrisico dat aan een bewaringsmaatregel ten grondslag kan worden gelegd omdat het onttrekkingsrisico volgt uit het gebruiken van het betreffende document.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;