ECLI:NL:RBDHA:2025:3104

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 februari 2025
Publicatiedatum
3 maart 2025
Zaaknummer
NL23.39811
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen tegen uitzetting in vreemdelingenzaak

Verzoeker heeft bij besluit van 22 november 2023 een afwijzing gekregen op zijn aanvraag voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 13 februari 2024 ongegrond werd verklaard. Verzoeker stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank, waarna hij tevens een verzoek om voorlopige voorziening indiende.

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een gerelateerde zaak. Hierdoor kan de rechtbank niet binnen afzienbare tijd uitspraak doen, wat de vereiste spoed voor de voorlopige voorziening oplevert.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van verzoeker om in Nederland te blijven zwaarder weegt dan het belang van de minister bij handhaving van het bestreden besluit. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, het bestreden besluit geschorst en wordt bepaald dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat het beroep is beslist.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 907 op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, het bestreden besluit geschorst en verzoeker mag niet worden uitgezet totdat het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39811

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van
verzoeker voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid afgewezen.
Bij verzoekschrift van 20 december 2023 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht
om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 13 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van
verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer NL24.10790), zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van
de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige
voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter ook
in geval van een niet-kennelijke afdoening uitspraak doen zonder een zitting te houden
wanneer onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden
geschaad.
3. De behandeling van het beroep is door de rechtbank aangehouden in afwachting van de voor deze zaak van belang zijnde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het hoger beroep tegen de uitspraak van 3 juni 2024 van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats 's Hertogenbosch, met zaaknummer NL23.21439. De rechtbank kan hierdoor niet binnen afzienbare tijd uitspraak doen op het beroep. De vereiste spoed is daarmee gegeven.
4. Verzoeker heeft er belang bij om de uitkomst van het beroep in Nederland te kunnen afwachten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit belang van verzoeker zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij onverkorte handhaving van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.
5. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen, het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
-
treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907.
Deze uitspraak is gedaan op 28 februari 2025 door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.