De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar en machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening voor zes maanden. De moeder kampt met middelengebruik en psychoses, waardoor zij niet in staat is adequaat voor het kind te zorgen. De minderjarige verbleef tijdelijk bij de grootvader en daarna in een pleeggezin.
De moeder erkent haar problematiek en is bereid aan haar herstel te werken, maar is momenteel onvoldoende stabiel om zelfstandig voor het kind te zorgen. De kinderrechter acht een ondertoezichtstelling noodzakelijk om de hulpverlening te ondersteunen en hechtingsproblematiek te voorkomen. Tevens is een uithuisplaatsing passend om het kind een stabiele omgeving te bieden.
De beschikking bepaalt dat de minderjarige onder toezicht wordt gesteld van 13 februari 2025 tot 13 februari 2026 en voor de periode van 13 februari 2025 tot 13 augustus 2025 uit huis wordt geplaatst. Er wordt nadruk gelegd op het bevorderen van het contact tussen moeder en kind, met minimaal wekelijks contact indien de moeder geestelijk daartoe in staat is. De beslissing is direct uitvoerbaar en tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld.