ECLI:NL:RBDHA:2025:3022

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2025
Publicatiedatum
27 februari 2025
Zaaknummer
NL25.7961
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van 19 februari 2025 waarbij aan eiser een maatregel van bewaring was opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, die de Algerijnse nationaliteit bezit, betwistte enkele zware gronden voor de bewaring, maar de rechtbank oordeelde dat de overige gronden voldoende waren en feitelijk juist waren onderbouwd.

Verweerder had de zware gronden 3d en 3i en lichte grond 4e laten vallen, maar de rechtbank vond dat de overgebleven zware gronden, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht, voldoende waren om de bewaring te rechtvaardigen. Eiser voerde aan dat een lichter middel passend zou zijn, mede vanwege zijn sociale situatie, maar de rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn.

De ambtshalve toets leidde niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp en griffier E.C. Jacobs op 27 februari 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7961

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1993.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. In de maatregel staan als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Verweerder heeft ter zitting zware gronden 3d en 3i en lichte grond 4e laten vallen.
4. Eiser betwist zware gronden 3a en 3c. Eiser is namelijk als asielzoeker Nederland binnengekomen en ook als asielzoeker vanuit België overgedragen. Daarnaast stelt verweerder dat het eerder opgelegde terugkeerbesluit is gepubliceerd in de Staatscourant, maar eiser heeft de vindplaats niet kunnen achterhalen en was met dit besluit niet bekend.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Maatregel van bewaring
5. De rechtbank stelt vast dat eiser zware grond 3b en de lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn gemotiveerd in de maatregel. Verder heeft verweerder ter zitting de datum en het nummer van de publicatie van het terugkeerbesluit medegedeeld. Zware grond 3c is daarmee ook feitelijk juist, nu gebleken is dat het terugkeerbesluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. De gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en een risico op onttrekking is daarmee gegeven.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met het toepassen van een lichter middel. Hij heeft namelijk een vriendin in Nederland bij wie hij kan verblijven en hij is een vaderfiguur voor haar dochter.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, volgt een risico op onttrekking aan het toezicht. Daarnaast is eerder aan eiser een meldplicht opgelegd, dit heeft destijds niet geleid tot het vertrek van eiser. De enkele stelling dat eiser een vriendin heeft in Nederland maakt dit niet anders.

Ambtshalve toets

8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 februari 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.