Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 16 mei 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister moest uiterlijk binnen zes maanden beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Vanwege het besluitmoratorium Syrië gold aanvankelijk een verlengde beslistermijn, maar deze werd ingetrokken, waardoor de reguliere termijn van zes maanden weer van toepassing was.
Eiser stelde de minister op 18 november 2025 schriftelijk in gebreke, waarna hij beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn op: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 19 december 2025.