Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27438

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/695544 / FA RK 25-9127
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 WvggzArt. 10:11 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht ongegrond verklaard over toediening depotmedicatie en schadevergoeding afgewezen

Verzoeker diende een klacht in tegen het toedienen van depotmedicatie als verplichte zorg en verzocht om schadevergoeding. De zorgaanbieder Fivoor verleende verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging die geldig is tot oktober 2026. Verzoeker ervaart bijwerkingen zoals hoofdpijn en steken voor de ogen, maar weigert nader onderzoek naar deze klachten.

De psychiater en arts van Fivoor stelden dat de medicatie noodzakelijk is vanwege psychotische decompensaties en dat een lagere dosering niet effectief zou zijn. Verzoeker heeft zich eerder ook tegen andere medicatie verzet, maar de huidige medicatie blijkt effectief en noodzakelijk voor stabilisatie.

De rechtbank oordeelt dat aan de voorwaarden voor verplichte zorg is voldaan, dat de toediening proportioneel en effectief is, en dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de klacht ongegrond is en geen aanleiding bestaat voor vergoeding.

Uitkomst: De klacht over het toedienen van depotmedicatie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnummer: C/09/695544 / FA RK 25-9127
Datum beschikking: 30 december 2025
Beslissing over klacht ex artikel 10:7 Wet Pro verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en verzoek tot schadevergoeding ex art. 10:11 Wet Pro verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)

Beschikking op het op 3 december 2025 ingediende verzoekschrift van:

[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.J.W. de Water te Leiderdorp,
ter verkrijging van een beslissing over een klacht door verzoeker ingediend bij de klachtencommissie van Fivoor (hierna: de klachtencommissie).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
- de zorgaanbieder Fivoor.

Feiten en procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen.
Aan verzoeker is door zorgaanbieder Fivoor verplichte zorg verleend krachtens een door deze rechtbank verleende zorgmachtiging van 27 oktober 2025 geldend uiterlijk tot en met 27 oktober 2026.
Verzoeker heeft bij brief van 20 oktober 2025 bij de klachtencommissie een klacht ingediend tegen het toedienen van (depot)medicatie en een verzoek tot schadevergoeding ingediend. Verzoeker heeft tevens verzocht om de beslissing om medicatie toe te dienen, te schorsen.
De klachtencommissie heeft op 22 oktober 2025 het schorsingsverzoek afgewezen.
De klachtencommissie heeft op 30 oktober 2025 de klacht ongegrond verklaard en de schadevergoeding afgewezen. Deze beslissing heeft de klachtencommissie op 30 oktober 2025 aan verzoeker mondeling meegedeeld en op schrift op 14 november 2025 aan verzoeker toegezonden.
Verzoeker heeft bij verzoekschrift verzocht de door hem ingediende klacht alsnog gegrond te verklaren, alsmede een schadevergoeding toe te wijzen.
Op 30 december 2025 is het verzoekschrift ter zitting van deze rechtbank behandeld. Daarbij zijn gehoord:
- de advocaat van verzoeker;
- de psychiater van Fivoor, [naam 1] ;
- de arts van Fivoor, [naam 2] .
Verzoeker is niet ter zitting verschenen. De advocaat heeft naar voren gebracht dat hij verzoeker meermaals heeft gesproken en dat verzoeker niet bij de behandeling van het verzoekschrift aanwezig wil zijn. De advocaat zal namens verzoeker zijn standpunt naar voren brengen. De rechtbank stelt daarom vast dat betrokkene niet bereid is om zich te doen horen en de mondeling behandeling zonder aanwezigheid van verzoeker kan plaatsvinden.

Verzoek en verweer

Verzoeker verzoekt in zijn verzoekschrift zijn klacht over het toedienen van (depot)medicatie alsnog gegrond te verklaren en het toedienen van medicatie als verplichte zorg te beëindigen, dan wel om een andere medicatie in depotvorm toe te dienen. Verder verzoekt verzoeker een schadevergoeding van €50,- per dag, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, toe te kennen.
Hiertoe is namens verzoeker – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verzoeker veel last heeft van bijwerkingen door de depotmedicatie die hij krijgt. Verzoeker lijdt hierdoor aan heftige hoofdpijn en steken voor zijn ogen. Verzoeker is wel bereid om andere (depot)medicatie te accepteren en heeft dit ook meermaals voorgesteld, maar daar wordt onvoldoende rekening mee gehouden. Verzoeker voelt zich hierdoor niet gehoord.
De psychiater heeft naar voren gebracht dat zij de klinische behandelaar is geweest van verzoeker toen hij van 16 september 2025 tot 25 november 2025 was opgenomen op de FPA van Fivoor. Verzoeker was daarvoor in het ambulante kader gedecompenseerd nadat op zijn verzoek zijn depotmedicatie was afgebouwd. Voordat verzoeker op de FPA was opgenomen om hem te stabiliseren is zijn depotmedicatie (paliperidon) weer opgestart door zijn ambulante behandelaren. De toediening van deze depotmedicatie is vervolgens voortgezet door de klinische behandelaren tijdens zijn opname. Tijdens een eerdere opname van verzoeker in 2024 kreeg verzoeker andere medicatie (risperdal) waar hij zich ook tegen verzette en een klacht tegen ingediend had. Er zijn vervolgens gesprekken gevoerd met verzoeker om te switchen van medicatie, waarna op zijn verzoek juist is overgestapt op paliperidon. Inmiddels verzet verzoeker zich ook tegen deze medicatie. Verzoeker krijgt een standaarddosering en een lagere dosering zou niet werkzaam zijn.
De arts heeft naar voren gebracht dat verzoeker niet eerder heeft aangegeven dat hij last heeft van steken achter zijn ogen. Verzoeker had wel aangegeven hoofdpijn te ervaren, maar de kans is klein dat dit een bijwerking is van zijn huidige depotmedicatie. Verzoeker heeft ook een autismespectrumstoornis en kan snel overprikkeld raken, wat ook hoofdpijnklachten kan veroorzaken. Verzoeker heeft er tot nu toe niet voor opengestaan om zijn hoofdpijnklachten te laten onderzoeken. Hierdoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat zijn hoofdpijnklachten een bijwerking zijn van zijn depotmedicatie. Er wordt gezien dat de huidige depotmedicatie effectief is bij verzoeker als hij psychotisch decompenseert.

Beoordeling

Formele beoordeling
De rechtbank stelt allereerst vast dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek, aangezien het verzoekschrift binnen de in artikel 10:7, tweede lid, Wvggz gestelde termijn bij de rechtbank is ingediend.
Inhoudelijke beoordeling
Voor het toepassen van verplichte zorg moet sprake zijn van ernstig nadeel dat wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis. De rechtbank stelt vast, mede gelet op de beschikking van 27 oktober 2025 waarbij een aansluitende zorgmachtiging is verleend die kracht van gewijsde heeft, dat bij verzoeker sprake is van psychische stoornissen, te weten autismespectrumstoornis, persoonlijkheidsstoornis, genderdysforie en een stoornis in het gebruik van cannabis. Daarnaast heeft betrokkene een verstandelijke beperking.
De rechtbank stelt ook vast dat de psychische stoornissen van verzoeker leiden tot ernstig nadeel. Vanuit zijn stoornissen is verzoeker bekend met verbale en fysieke agressie. Hij is op meerdere levensgebieden vastgelopen en is afhankelijk van 24-uurs begeleiding. Verzoeker is kwetsbaar en kan snel psychotisch ontregelen als de spanning oploopt.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting op 30 december 2025 naar voren is gebracht, volgt dat de toepassing van verplichte zorg in de vorm van toedienen van (depot)medicatie noodzakelijk is. De afgelopen periode is er sprake geweest van een psychotische decompensatie bij verzoeker waarbij hij fysiek en verbaal agressief is geweest richting derden en er een agressie incident heeft plaatsgevonden op zijn woonvorm. Om die reden is de depotmedicatie in het ambulante kader opnieuw opgestart en is verzoeker tijdelijk op de FPA opgenomen geweest ter stabilisatie waar de toediening van de depotmedicatie is voortgezet. Verzoeker heeft zich tijdens de opname verzet tegen de toediening van zijn depotmedicatie.
Niet is gebleken dat er minder bezwarende alternatieven zijn. Hoewel verzoeker aangeeft dat hij vervelende bijwerkingen ervaart van de huidige medicatie, staat de toediening daarvan voldoende in verhouding tot de in de zorgmachtiging beschreven doelen. Tevens is afgelopen periode op verzoek van verzoeker geprobeerd om de depotmedicatie af te bouwen, maar dat heeft geleid tot voornoemde psychotische decompensatie van verzoeker. In het verleden heeft verzoeker al een ander middel toegediend gekregen waar verzoeker zich ook tegen verzette en is op zijn verzoek juist overgestapt naar het huidige middel. Een lagere dosering van de depotmedicatie is ook niet mogelijk, omdat de huidige dosering de minimale hoeveelheid is om werkzaam te kunnen zijn. Verder heeft verzoeker niet eerder aangegeven last te hebben van steken in zijn ogen en staat hij er ook niet voor open om zijn klachten nader te laten onderzoeken, waardoor het niet duidelijk is of deze klachten ook daadwerkelijk door de depotmedicatie worden veroorzaakt.
Verder is de verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief. Verzoeker heeft in het verleden meermaals goed gereageerd op deze depotmedicatie. Sinds verzoeker de depotmedicatie weer toegediend krijgt is er sprake van een verbetering van zijn toestandsbeeld en is het ernstig nadeel dusdanig afgenomen dat verzoeker inmiddels weer op zijn woonvorm verblijft.
Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor het verlenen van verplichte zorg. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de klacht van verzoeker ongegrond moet worden verklaard.
Schadevergoeding
Nu de klacht ongegrond wordt verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van de verzochte schadevergoeding ten aanzien van verzoeker. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

Beslissing:

De rechtbank:
verklaart de klacht ongegrond;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
wijst af het verzoek om schadevergoeding.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, bijgestaan door mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 14 januari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.