ECLI:NL:RBDHA:2025:27392

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694596 / JE RK 25-1937
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorg

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds enige tijd bij zijn oom en tante verblijft. De kinderrechter heeft op 24 december 2025 de zitting gehouden waarbij ook de moeder, pleegouders en hun vertegenwoordigers aanwezig waren. De minderjarige heeft in het bijzijn van de jeugdbeschermer een gesprek gevoerd met de kinderrechter en een brief overhandigd.

De moeder heeft het ouderlijk gezag en werkt mee aan hulpverlening, maar het contact tussen haar en de minderjarige is moeizaam en momenteel stilgelegd vanwege de afwijzende houding van de minderjarige. De pleegouders bieden een stabiele en veilige omgeving waarin de minderjarige zich goed ontwikkelt. De hulpverlening is recent gestart en richt zich op het herstellen van het contact tussen moeder en kind.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Gezien de huidige situatie is terugplaatsing bij de moeder te vroeg en moet de hulpverlening worden voortgezet. De machtiging wordt verlengd tot 11 april 2026, waarna de zaak wordt voortgezet met een schriftelijke update van de hulpverlening en een nieuwe zitting. De kinderrechter benadrukt het belang van het contactherstel en de rol van de jeugdbeschermer in het monitoren van de situatie.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 11 april 2026 met aanhouding van verdere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/694596 / JE RK 25-1937
Datum uitspraak: 24 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J. de Koning uit Den Haag,
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder,
en
[de pleegvader],
hierna te noemen: de pleegvader,
hierna ook tezamen te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 november 2025;
  • het e-mailbericht van de pleegouders van 18 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de pleegouders;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover – in het bijzijn van de jeugdbeschermer [naam] – een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Ook heeft [minderjarige] een brief aan de kinderrechter opgesteld en overhandigd. Deze zal aan het dossier worden toegevoegd.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de pleegouders, zijnde de oom en tante moederszijde.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 11 juli 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 juli 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 11 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de pleegouders. Hij komt mee op school, is sociaal vaardig en zijn lichamelijke ontwikkeling verloopt positief. Wel blijft hij alert en bezorgd over zijn toekomst. Hij geeft aan bang te zijn dat hij weg moet bij zijn pleeggezin of zijn familie niet meer kan zien. [minderjarige] voelt zich verantwoordelijk voor de situatie tussen de moeder en de pleegouders. De moeder toont haar bereidheid tot samenwerking en zij is open in de gesprekken met de hulpverlening en de jeugdbeschermer. Zij is gemotiveerd om aan zichzelf te werken en om haar band met [minderjarige] te verbeteren. Tegelijkertijd lijkt zij zich echter niet altijd bewust van welke informatie van belang is om te delen, waardoor zij onbedoeld belangrijke informatie achterhoudt. Dit beperkt het zicht op haar functioneren. Daarbij komt dat het contact tussen de pleegouders en de moeder momenteel minimaal is en dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] voor beiden moeizaam is verlopen. [minderjarige] was afwijzend richting de moeder en tijdens het laatste contactmoment heeft hij expliciet aangegeven niet meer bij haar te willen wonen. Om rust te realiseren en om via de hulpverlening te werken aan de onderliggende oorzaken van het afwijzende gedrag van [minderjarige] , is het contact begin september 2025 stilgelegd. Het contact zal op een laagdrempelige manier opnieuw worden opgebouwd en de moeder mag aanwezig zijn bij de sportactiviteiten van [minderjarige] . Momenteel toont [minderjarige] echter weinig interesse in het contact, hij vraagt niet naar de moeder en reageerde afstandelijk op haar gestuurde kaart. Daarnaast is de hulpverlening vanuit [instelling] in september gestart. De moeder krijgt wekelijks begeleiding en wordt gecoacht in het omgaan met de afwijzende houding van [minderjarige] en hoe zij het contact positief en veilig kan vormgeven. De moeder komt haar afspraken na. [minderjarige] heeft één keer per twee weken gesprekken gericht op spel en emotionele verwerking, waarbij de moeder uiteindelijk ook kan aansluiten. Op de zitting heeft de gecertificeerde instelling aanvullend naar voren gebracht dat het voor [minderjarige] belangrijk is dat zijn vertrouwen spelenderwijs wordt opgebouwd, waardoor de gesprekken zich in de verkennende fase bevinden en er momenteel nog geen goed beeld is over wat [minderjarige] nodig heeft in het contactherstel met de moeder. Mocht dit in het belang van [minderjarige] zijn, kan onderzocht worden of de gesprekken bij [instelling] frequenter kunnen plaatsvinden. De betrokkenheid van de pleegouders en hun bereidheid om mee te denken over het contactherstel is positief. Volgens de gecertificeerde instelling lijkt, gezien de huidige situatie, een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder op korte termijn niet haalbaar. Hun relatie is nog onvoldoende hersteld en de hulpverlening bevindt zich nog in de beginfase. De komende zes maanden zijn cruciaal om te beoordelen wat het effect is van de ingezette hulpverlening en of er zicht ontstaat op verbetering in de ouder-kindrelatie. De verwachting is dat richting de aanvaardbare termijn (mei 2026) een definitieve beslissing genomen kan worden over het opvoedperspectief van [minderjarige] . Zoals het er nu voor staat, ligt het opvoedperspectief bij het pleeggezin, waar hij de stabiliteit, veiligheid en emotionele beschikbaarheid krijgt die hij nodig heeft voor zijn verdere ontwikkeling.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder zich in de afgelopen tijd positief ontwikkeld heeft. Zij heeft hard haar best gedaan om haar situatie te veranderen en doet nog steeds haar best. Hoewel het fijn is dat de pleegouders [minderjarige] hebben opgevangen, hoort [minderjarige] bij de moeder te wonen. De advocaat merkt op zij vermoedt dat de pleegouders [minderjarige] het idee geven dat hij bij hen kan blijven en de gecertificeerde instelling doet te weinig om toe te werken naar een thuisplaatsing. Daarbij komt dat, ondanks dat het nu goed gaat met de moeder, het contact tussen haar en [minderjarige] is stilgelegd. [minderjarige] lijkt te bepalen of het contact met de moeder hersteld wordt of niet en de vraag is dan ook, mede gelet op zijn mogelijke loyaliteitsconflict, of de hulpverlening vanuit [instelling] wel passend is. Ondanks dat de moeder een gezinsopname te belastend vindt voor [minderjarige] , zou dit passend kunnen zijn. Anders dan de advocaat heeft de moeder niet het idee dat de pleegouders bij [minderjarige] aangeven dat hij bij blijft wonen. Daarnaast heeft de moeder zelf - in het belang van [minderjarige] en vanwege zijn afwijzing richting de moeder - het contact met [minderjarige] stopgezet, in afwachting van de hulpverlening vanuit [instelling] . De pleegmoeder stond hier niet achter en het opstarten van de hulpverlening vanuit [instelling] duurde langer dan verwacht. De moeder heeft [minderjarige] voor het laatst op 17 november jl. gezien bij de atletiek en het zou fijn zijn als de moeder en de pleegouders vaker contact hebben met elkaar, onder meer zodat de moeder beter weet wat er in het leven van [minderjarige] speelt.
4.2.
De pleegouders hebben ingestemd met het verzochte. Zij hebben naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige] bij de pleegouders. Hij gaat graag naar school, heeft veel vriendjes en zit op atletiek. [minderjarige] is opgebloeid en heeft goed contact met zijn familie. Wel wordt door de pleegouders gezien dat [minderjarige] forse weerstand heeft tegen het contact met de moeder. Zij hadden dit zeer graag anders gezien en stonden - vanwege de mogelijke groeiende weerstand van [minderjarige] richting de moeder - niet achter het stoppen van het contact tussen de moeder en [minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende. [minderjarige] heeft in zijn jonge leven veel meegemaakt en verblijft nu al langere tijd bij de pleegouders. Dit verloopt gelukkig goed. De pleegouders sluiten aan bij de behoefte van [minderjarige] en [minderjarige] komt tot zijn ontwikkeling. Uit de stukken en de zitting is het de kinderrechter duidelijk geworden dat de moeder hard aan een verbetering van de situatie heeft gewerkt en dat zij meewerkt aan de hulpverlening. Hieruit blijkt dat zij het belang en het welzijn van [minderjarige] voorop stelt. Tegelijkertijd is het uit de stukken, de zitting en het kindgesprek met [minderjarige] voor de kinderrechter gebleken dat bij [minderjarige] nog geen draagkracht bestaat om het contact met de moeder aan te gaan. Iedere vorm van contact met de moeder leidt tot weerstand bij hem. Dit is verdrietig voor zowel de moeder als voor [minderjarige] . Naar het oordeel van de kinderrechter is het voor een terugplaatsing bij de moeder momenteel dan ook te vroeg. Daarvoor is nodig dat de hulpverlening vanuit [instelling] wordt voortgezet. Op die manier kunnen de onderliggende redenen van de weerstand van [minderjarige] worden onderzocht en kan hier duidelijkheid over worden verkregen. Daarbij wordt van de gecertificeerde instelling verwacht dat, gelet op de aanvaardbare termijn en voor zover [minderjarige] dit aankan, de gesprekken van [minderjarige] bij [instelling] frequenter zullen gaan plaatsvinden. Gelet op het feit dat dat de hulpverlening vanuit [instelling] pas geleden is begonnen en gelet op het perspectief van [minderjarige] , ziet de kinderrechter aanleiding om het verzoek tot een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing toe te wijzen voor drie maanden en aan te houden voor het overige en merkt daarbij op dat het van belang is dat de jeugdbeschermer deze periode ook zicht houdt op de samenwerking (en de verbetering daarvan) tussen de moeder en de pleegouders. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling hierbij om uiterlijk één week voorafgaand aan deze zitting een schriftelijke update te versturen, met daarin de huidige stand van zaken, het verloop van de hulpverlening vanuit [instelling] en de verslagen van [instelling] .
5.3.
Daarom zal als volgt worden beslist.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 11 april 2026;
6.2.
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zittingsdatum,
gelegen vóór 11 april 2026;
6.4.
verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk één week voorafgaand aan deze zitting aan de rechtbank en de belanghebbenden een verslag te overleggen met onder meer een schriftelijke update en de informatie vanuit [instelling] ;
6.5.
gelast de griffier voor die zitting op te roepen:
- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
- de moeder;
- de advocaat van de moeder, mr. J. de Koning uit Den Haag;
- de pleegouders;
- [minderjarige] voor het kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier, en op schrift gesteld op 31 december 2025.
Voor het geval in deze beschikking eindbeslissingen staan is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.