ECLI:NL:RBDHA:2025:27346

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/672833 / FA RK 24-6776
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek eenhoofdig gezag en vaststelling zorg- en vakantieregeling voor minderjarige

De vader en moeder zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2017 met Poolse nationaliteit. Na hun relatieverbreking oefenden zij gezamenlijk gezag uit over het kind, met de hoofdverblijfplaats bij de vader. De vader verzocht de rechtbank het gezamenlijk gezag te beëindigen en hem eenhoofdig gezag toe te kennen, alsmede de omgang van de moeder met het kind te beperken.

De moeder verzocht om een wekelijkse telefonische belregeling en verblijf tijdens vakanties. Tijdens de zitting trok de vader zijn verzoek om omgang te ontzeggen in en stemde in met de belregeling. De ouders kwamen grotendeels overeen over de vakantieregeling in 2026 en vroegen de rechtbank deze vast te leggen. Over vakanties vanaf 2027 waren zij het niet eens, waarbij de vader terughoudend was over buitenlandse vakanties.

De rechtbank oordeelde dat het belang van het kind gebaat is bij contact met de moeder, ook in Nederland tijdens vakanties, maar dat het nog te vroeg is om buitenlandse vakanties vast te leggen. Het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag werd afgewezen omdat onvoldoende is gebleken van een onaanvaardbaar risico voor het kind. De ouders worden geacht constructief te kunnen communiceren en gezamenlijk gezag uit te oefenen.

De beschikking legt de belregeling en vakantieregeling vast, verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad en bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen.

Uitkomst: Verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag afgewezen; zorg- en vakantieregeling vastgesteld met contact in Nederland.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6776
Zaaknummer: C/09/672833
Datum beschikking: 30 december 2025

Gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang

Beschikking op het op 19 september 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
als niet ingezetene ingeschreven in de Registratie Niet Ingezetenen (RNI), geëmigreerd op
[dag] 2020,
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 27 september 2024, met bijlage, van de zijde van de vader;
  • het F9-formulier van 20 november 2024, met bijlage, van de zijde van de vader;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 26 november 2025, met bijlage, van de zijde van de vader.
Op 2 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • De vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • De moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het F9-formulier van 16 december 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder;
- het F9-formulier van 19 december 2025 van de zijde van de vader.

Feiten

- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de nog minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft [minderjarige] erkend.
- De vader, de moeder en [minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 14 oktober 2019 is – voor zover hier aan de orde –:
 bepaald dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over [minderjarige] ;
 bepaald dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;
 bepaald dat [minderjarige] bij de moeder zal zijn: de eerste twee weken na de datum van de zitting vier keer per week tussen 10 uur en 12 uur, onder begeleiding van de grootmoeder (vaderszijde) en daarna vier keer per week telkens vier uur per keer onbegeleid, waarbij de ouders de dagen en tijden in onderling overleg zullen bepalen.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt de rechtbank het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] te beëindigen en de vader te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Daarnaast verzoekt de vader de verdeling van zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling) te wijzigen, in die zin dat de moeder de omgang met [minderjarige] wordt ontzegd.
De vader doet zijn verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat er wekelijks op zondagmiddag om 17.00 uur telefonisch contact tussen de moeder en [minderjarige] zal plaatsvinden, waarbij de moeder [minderjarige] op voornoemd moment zal bellen op het haar bekende telefoonnummer van de vader en de vader [minderjarige] in staat zal stellen om met de moeder te bellen. Ook verzoekt de moeder te bepalen dat [minderjarige] bij de moeder zal verblijven gedurende de helft van de meivakantie, zomervakantie en kerstvakantie, dan wel andere beslissingen te nemen aangaande het (telefonisch en/of fysieke) contact tussen de moeder en [minderjarige] die de rechtbank in goede justitie acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat [minderjarige] de gewone verblijfplaats heeft in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken.
Zorgregeling
Tijdens de zitting zijn de verzoeken van de ouders besproken. De vader heeft zijn verzoek om de moeder het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen, ingetrokken. Ook heeft de vader ingestemd met de door de moeder verzochte belregeling. Daarom zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen en het verzoek van de moeder in zoverre toewijzen.
De moeder heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] voortaan gedurende de helft van de mei-, zomer- en kerstvakantie bij haar moeder zal zijn. De vader heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij ermee akkoord kan gaan dat de moeder en [minderjarige] tijdens schoolvakanties samen tijd doorbrengen maar dan wel in Nederland. De vader vindt het voor nu nog een stap te ver om [minderjarige] gedurende de vakanties met haar moeder naar Polen te laten gaan. Na de zitting zijn de ouders verder met elkaar in overleg getreden over de manier waarop de vakantieregeling eruit zou moeten zien. Uit de berichten die de rechtbank naar aanleiding van dit overleg van de ouders heeft ontvangen, maakt de rechtbank op dat de ouders het voor een groot deel met elkaar eens zijn over hoe de vakantieregeling eruit zou moeten zien. De vader stemt in met hetgeen de moeder na de zitting heeft verzocht ten aanzien van de mei-, zomer-, herfst- en kerstvakantie in 2026 en de meivakantie in 2027. Omdat de ouders het eens zijn over de momenten waarop [minderjarige] en de moeder gedurende deze vakanties contact met elkaar zullen hebben en de afspraak in het belang van [minderjarige] is, zal de rechtbank deze overeengekomen contactmomenten vastleggen in het dictum.
Ten aanzien van de voorjaarsvakantie in 2026 geeft de vader aan het met de moeder eens te zijn over de dagen waarop het contact tussen [minderjarige] en de moeder plaatsvindt, maar niet met de tijden die moeder voorstelt. Waar de moeder de rechtbank verzoekt vast te stellen dat het contact op 16, 18 en 20 februari 2026 van 13.00 uur tot 17.00 uur zal plaatsvinden, verzoekt de vader de rechtbank te bepalen dat het contact op 16 en 18 februari 2026 van 17.00 uur tot 20.00 uur plaatsvindt en op 20 februari 2026 van 16.00 uur tot 20.00 uur. Aangezien van de vader wordt verwacht dat hij het contact tussen [minderjarige] en haar moeder mogelijk maakt en hij dat moet afstemmen met zijn overige verplichtingen, zoals bijvoorbeeld zijn werk, zal de rechtbank bepalen dat de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder in de voorjaarsvakantie plaatsvinden op de door de vader verzochte tijdstippen.
Daarnaast zijn de ouders het niet eens over de invulling van de vakanties vanaf de zomervakantie in 2027. De moeder wenst in de zomervakantie van 2027 twee weken met [minderjarige] door te brengen, waarvan een week in Nederland en een week in Polen. Verder verzoekt de moeder te bepalen dat [minderjarige] in de kerstvakantie in 2027 een week bij de moeder zal zijn, waarbij de moeder mag bepalen of die week in Nederland of in Polen wordt doorgebracht. Voorts verzoekt de moeder de rechtbank te bepalen dat [minderjarige] vanaf 2028 ieder jaar de eerste week van de meivakantie, de eerste drie weken van de zomervakantie en de eerste week van de kerstvakantie bij de moeder zal zijn, waarbij de moeder bepaalt of die weken in Nederland of in Polen worden doorgebracht. De vader verzoekt de rechtbank om nog geen buitenlandse vakanties vast te leggen, omdat het fysieke contact tussen [minderjarige] en de moeder nog moet herstarten en eerst moet worden bezien hoe de opbouw in de praktijk verloopt alvorens over te gaan tot het doorbrengen van vakanties bij haar moeder in het buitenland.
De rechtbank overweegt nadrukkelijk dat het in het belang van [minderjarige] kán zijn dat zij in de vakanties ook tijd spendeert met haar moeder in Polen, onder meer omdat [minderjarige] op die manier de mogelijkheid krijgt om familieleden van moederszijde te leren kennen. Desalniettemin is de rechtbank het met de vader eens dat het nu nog te vroeg is om al te bepalen dat [minderjarige] vanaf de zomer van 2027 vakanties met haar moeder in Polen kan doorbrengen. De komende periode en de komende schoolvakanties zal het contact tussen [minderjarige] en haar moeder weer worden opgebouwd. Hoewel de rechtbank geen reden heeft om te denken dat dit niet goed zal verlopen, zal de komende periode uitwijzen of dat ook daadwerkelijk het geval is. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat er een zekere regelmaat ontstaat in het contact met haar moeder voordat kan worden beslist of een vakantie in Polen in het belang van [minderjarige] mogelijk is. Als er sprake is van bestendig, regelmatig en goed verlopend contact tussen [minderjarige] en de moeder, kan dat aanleiding vormen om de contactmomenten gedurende de vakanties (gedeeltelijk) in Polen te laten plaatsvinden. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de moeder, voor zover dat ziet op de zomer- en kerstvakantie van 2027 en de vakantieregeling vanaf 2028, afwijzen. De rechtbank verwacht dat de ouders in onderling overleg en naar aanleiding van het verloop van de door de rechtbank vastgestelde regeling afspraken zullen maken over de vormgeving van de vakantieregeling vanaf de zomervakantie van 2027.
Gezag
De vader verzoekt de rechtbank voorts om het gezamenlijk gezag te beëindigen en hem eenhoofdig met het gezag over [minderjarige] te belasten. Ter onderbouwing van dit verzoek stelt de vader dat hij de zorg voor [minderjarige] vanaf 2019 volledig heeft gedragen en dat de moeder lange tijd uit beeld is geweest. De vader geeft aan dat hij veel heeft moeten doen om de toestemming van de moeder te verkrijgen voor diverse gezagsbeslissingen, bijvoorbeeld voor de aanvraag van een Pools identiteitsbewijs en het starten van een behandeling bij [instelling] voor [minderjarige] , en dat de moeder deze toestemming steeds pas op het allerlaatste moment heeft gegeven. Volgens de vader is de moeder niet (goed) bereikbaar en verloopt het contact met de moeder moeizaam, waardoor een basis voor overleg over beslissingen aangaande [minderjarige] ontbreekt. De vader stelt dat dit leidt tot het risico dat [minderjarige] klem en verloren raakt tussen de ouders.
De moeder geeft aan dat er inmiddels weer (telefonisch) contact is tussen de ouders en dat overleg over zaken aangaande [minderjarige] weldegelijk mogelijk is. De moeder stelt dat zij betrokkenheid toont bij [minderjarige] en dat zij graag weer een rol als moeder wil spelen in het leven van [minderjarige] , maar dat vader de boot afhoudt. Voorts stelt de moeder dat de vader in het recente verleden niet alle door hem als voorbeeld genoemde gezagsbeslissingen aan haar heeft voorgelegd. Als de vader dit wel had gedaan dan zou zij haar toestemming hebben gegeven en dat wil zij in de toekomst blijven doen.
De rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na het uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de omstandigheden sinds het uiteengaan van de ouders zijn gewijzigd en dat het nemen van gezagsbeslissingen ten aanzien van [minderjarige] in het verleden niet altijd zonder moeilijkheden is verlopen. Ook begrijpt de rechtbank dat het feit dat de moeder in Polen woont, het voor de vader lastiger maakt om met voortvarendheid actie te kunnen ondernemen wanneer dat nodig is in het belang van [minderjarige] . Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken ontstaat het beeld dat er vooral sprake is geweest van miscommunicatie en niet dat de moeder zich onwelwillend of tegenwerkend opstelt of dat zij niet bereikbaar is voor de vader. Daarbij komt dat de ouders op de zitting samen een belregeling zijn overeengekomen, dat de moeder in verband met de (gedeeltelijk door ouders overeengekomen) zorgregeling regelmatig naar Nederland zal komen en dat de moeder haar leven beter op orde lijkt te hebben dan enige jaren geleden. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de ouders in staat om op constructieve wijze met elkaar te communiceren over [minderjarige] en om gezagsbeslissingen aangaande [minderjarige] in onderling overleg met elkaar te kunnen nemen. Omdat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is komen vast te staan dat er sprake is van een situatie waarin [minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders of waarin wijziging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, zal de rechtbank het daarop gerichte verzoek van de vader afwijzen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het wel op de weg van de moeder ligt om ook in de toekomst voortvarend te reageren op verzoeken van de vader in het kader van de gezagsuitoefening en om dus zonder vertraging (schriftelijke) toestemming te verlenen voor gezagsbeslissingen waarmee de moeder het eens is.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 14 oktober 2019 – :
*
stelt vast dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , wekelijks op zondag om 17.00 uur telefonisch contact zal hebben met de moeder;
*
stelt de volgende vakantieregeling vast, waarbij [minderjarige] in Nederland contact zal hebben met de moeder:
  • in de
  • in de
  • in de
  • in de
  • in de
  • in de
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partijen de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 december 2025.