ECLI:NL:RBDHA:2025:27344

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/692633 / FA RK 25-7530
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en begeleid contact tussen vader en minderjarige

De rechtbank behandelt een verzoek van de vader om een voorlopige zorgregeling en voorwaarden voor begeleid contact met zijn minderjarige kind vast te stellen. De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit. Er is onenigheid over de voorwaarden voor het contact, dat begeleid wordt door een gespecialiseerde instelling.

De rechtbank constateert dat beide ouders willen meewerken aan het contacttraject, maar het niet eens kunnen worden over de voorwaarden. De instelling zal het contact begeleiden en onderzoeken of onbegeleide omgang mogelijk is, met een opbouwschema en vaste kindbegeleider. De contactmomenten vinden in eerste instantie op locatie plaats, met een duur van minimaal zes maanden.

De rechtbank stelt vast dat de definitieve zorgregeling, inclusief vakanties, feestdagen, paspoort en zorgverzekeringspas, voorlopig wordt aangehouden tot 1 oktober 2026. De beschikking bevat gedetailleerde voorwaarden voor het contact, waaronder het niet introduceren van de nieuwe partner van de vader en haar kinderen in de eerste zes maanden. Evaluatie en eindverslag door de instelling bepalen de uiteindelijke regeling.

Uitkomst: De rechtbank stelt voorlopige voorwaarden voor begeleid contact vast en houdt de definitieve zorgregeling aan tot 1 oktober 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7530
Zaaknummer: C/09/692633
Datum beschikking: 30 december 2025

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 6 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. van Vliet te Hengelo.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Groen te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 24 november 2025, met aanvullende producties, van de zijde van de vader;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.
De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 2 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

- De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van [dag 1] 2015 tot [dag 2] 2024.
- Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over [minderjarige] .
- Bij beschikking van deze rechtbank van 30 september 2024 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. In het ouderschapsplan is – voor zover hier van belang – opgenomen dat de ouders in mei 2024 zijn gestart met het traject Parallel Solo Ouderschap (PSO) bij [instelling] en dat begeleide contactopbouw en opvoedondersteuning gaat worden gestart, er een plan wordt opgesteld en naar passende begeleiders wordt gezocht.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt de rechtbank te bepalen:
dat de ouders verplicht zijn hun volledige medewerking te verlenen aan het traject van [instelling] , waarbij de voorwaarden zoals opgenomen in punt 14 van het verzoekschrift zullen gelden;
dat, nadat [instelling] heeft aangegeven dat het contact onbegeleid kan plaatsvinden en de begeleiding is beëindigd, het contact dient te worden opgebouwd conform het opbouwschema welke is opgenomen in punt 22 van het verzoekschrift;
dat er, na het opbouwen van het contact, een definitieve verdeling van zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) zal gelden, waarbij
a. de vader [minderjarige] in de oneven weken op woensdag van school zal ophalen, op donderdag weer naar school zal brengen en uit school zal halen en vervolgens om 17.30 uur naar de moeder te brengen en waarbij [minderjarige]
b. [minderjarige] in de even weken vanaf woensdag uit school tot en met maandag naar school bij de vader zal zijn, dan wel een zorgregeling die passend is voor [minderjarige] en in onderling overleg met [instelling] en aan de hand van de kindbegeleider(s) tot stand zal komen;
c. [minderjarige] de helft van de vakanties en feestdagen bij de moeder en de helft bij de vader verblijft;
dat de moeder het paspoort van [minderjarige] en zijn zorgverzekeringspas aan de vader dient af te geven gedurende de feestdagen en vakanties dat [minderjarige] bij de vader verblijft,
kosten rechtens.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt het verzoek van de vader onder punt I toe te wijzen, met dien verstande dat daarbij niet de voorwaarden zoals genoemd in punt 14 van het verzoekschrift, maar de voorwaarden zoals genoemd in punt 77 van het verweerschrift zullen gelden en dat de rechtbank deze voorwaarden vaststelt. De moeder verzoekt de overige verzoeken van de vader af te wijzen dan wel aan te houden in afwachting van de resultaten van begeleide omgang dan wel een mogelijk te gelasten raadsonderzoek, dan wel een dusdanige voorlopige regeling vast te stellen als door de moeder wordt geschetst in punten 75 tot en met 77 van het verweerschrift.

Beoordeling

Achtergrond
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken blijkt dat de vader en de moeder feitelijk in november 2022 uiteen zijn gegaan, waarna er enige maanden geen contact is geweest tussen [minderjarige] en de vader. Vanaf maart 2023 heeft [minderjarige] gedurende enige maanden regelmatig begeleid contact gehad met de vader. Dat begeleide contact is omstreeks het begin van juni 2023 gestopt en sinds juli 2023 hebben [minderjarige] en de vader wekelijks contact met elkaar via beeldbellen. Via het jeugdteam van de gemeente zijn de ouders in oktober 2023 op hun eigen verzoek op de wachtlijst geplaatst bij [instelling] , hetgeen de ouders ook hebben opgenomen in het ouderschapsplan dat is aangehecht aan de echtscheidingsbeschikking. In april 2024 zijn de ouders van de wachtlijst gehaald voor de start van PSO. Gedurende de daaropvolgende maanden heeft [instelling] gesprekken gevoerd met de ouders om een plan van aanpak op te stellen voor het begeleiden van het contact. In mei 2025 heeft [instelling] de ouders bericht dat er niet kan worden gestart met de begeleide contactmomenten omdat daarvoor een regiehouder of een rechterlijke uitspraak nodig is. Daarbij geeft [instelling] aan dat de gemeente niet als regiehouder kan optreden en dat een rechterlijke uitspraak ontbreekt, maar dat [instelling] het dossier met voorrang zal oppakken als er een rechterlijke uitspraak komt. Nadat ouders [instelling] hebben laten weten dat zij de gang naar de rechtbank willen voorkomen, heeft [instelling] aangegeven dat er enkel begeleide omgang kan worden gestart indien de ouders afspraken maken over (de voorwaarden en een schema voor) de begeleide en onbegeleide omgang en de opbouw daarvan. Eerst hebben (de advocaten van) de ouders geprobeerd om onderling tot dergelijke afspraken te komen, maar deze pogingen zijn zonder resultaat gebleven. Vervolgens zijn de advocaten van de ouders in augustus 2025 (met toestemming van de ouders) in overleg getreden met [instelling] om te bezien of zij op die manier afspraken zouden kunnen maken over (voorwaarden voor) het (begeleide) contact. Aan de hand van dit overleg zijn voorwaarden geformuleerd en via mailwisseling op schrift gesteld op 15 en 28 augustus, waarna [instelling] de ouders heeft gevraagd of zij akkoord zijn met deze voorwaarden. De moeder heeft in september aangegeven niet gekend te zijn in het vormgeven van deze voorwaarden en daarmee ook niet te kunnen instemmen. Op 18 september 2025 heeft [instelling] de ouders bericht dat zij het traject afrondt vanwege de duur van het proces en het uitblijven van overeenstemming. Daarbij heeft [instelling] nogmaals benadrukt dat wanneer er in de toekomst een formele opdracht van een regiehouder of de rechtbank aanwezig is, zij de omgangsbegeleiding wel kunnen uitvoeren.
Zorgregeling
Einddoel en voorwaarden begeleid contact [instelling]
De rechtbank stelt vast dat partijen overeenstemming hebben over hun medewerking aan het traject bij [instelling] , en zal dit als afspraak opnemen in het dictum.
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat beide ouders graag willen dat [instelling] start met het begeleiden van contact tussen [minderjarige] en de vader en dat de ouders allebei hebben toegezegd hieraan te zullen meewerken, maar dat de ouders het niet eens kunnen worden over de voorwaarden voor (de begeleiding van) het contact. Tevens is gebleken dat [instelling] enkel zal starten met het begeleiden van het contact tussen [minderjarige] en de vader als er een regiehouder wordt aangewezen of als er een rechterlijke uitspraak ligt. Hieruit begrijpt de rechtbank dat alle betrokken partijen, namelijk de vader, de moeder en [instelling] , wensen dat de rechtbank zich uitlaat over het begeleide contact bij [instelling] en de manier waarop (de voorwaarden voor) dat contact moet(en) worden vormgegeven. Gelet hierop zal de rechtbank zich uitlaten over het einddoel van de begeleiding door [instelling] en de voorwaarden voor (de begeleiding van) het contact, ook omdat de rechtbank het – net als de Raad – in het belang van [minderjarige] acht dat er spoedig weer fysiek contact zal zijn tussen [minderjarige] en de vader.
De rechtbank zal [instelling] vragen om door middel van de te begeleiden contactmomenten te onderzoeken of onbegeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader (al dan niet op termijn) mogelijk is. Zo ja, dan verzoekt de rechtbank [instelling] te onderzoeken of het mogelijk is dat [minderjarige] om de week in het weekend bij de vader zal zijn, met één overnachting. Als blijkt dat dit verantwoord mogelijk is, staat het [instelling] vrij om gedurende het traject uit te breiden naar een tweede overnachting in datzelfde weekend.
Voorts zal de rechtbank [instelling] de in het dictum opgenomen voorwaarden en uitgangspunten meegeven ten aanzien van (de begeleiding van) het contact. Bij het formuleren van deze voorwaarden en uitgangspunten heeft de rechtbank zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij (de overeenkomsten tussen) de voorwaarden die de ouders hebben voorgesteld. Daarbij merkt de rechtbank op dat de rechtbank zich beperkt tot enkel de voorwaarden die betrekking hebben op het begeleiden van het contact tussen [minderjarige] en de vader.
Ten aanzien van de door [instelling] voorgestelde voorwaarde met betrekking tot de informatie-uitwisseling met de moeder over de opvoedondersteuning die de vader ontvangt, merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank heeft ervoor gekozen om deze voorwaarde niet uitdrukkelijk op te nemen in het dictum, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de verslagen van de contactmomenten en het eindverslag (en/of een eventueel tussenverslag) van [instelling] voldoende inzicht zullen geven in de opvoedcapaciteiten van de vader.
In afwachting van het verloop van het traject bij [instelling] zal de rechtbank iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de verdeling van vakanties en feestdagen pro forma aanhouden tot 1 oktober 2026.
Zorgverzekeringspas en paspoort
De vader heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de zorgverzekeringspas en het paspoort van [minderjarige] aan de vader worden gegeven wanneer [minderjarige] tijdens vakanties en feestdagen bij hem verblijft. De moeder stelt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder is en dat het paspoort daarom bij de moeder zou moeten blijven. Met betrekking tot de zorgverzekeringspas geeft de moeder aan dat er geen fysieke zorgverzekeringspas is, maar enkel een digitale zorgverzekeringspas.
Omdat de vader heeft verzocht om de zorgverzekeringspas en het paspoort gedurende de feestdagen en de vakanties dat [minderjarige] bij de vader is, en de rechtbank iedere beslissing over de vakanties en feestdagen pro forma zal aanhouden, zal de rechtbank ook de beslissing ten aanzien van de zorgverzekeringspas en het paspoort aanhouden.
Uitvoerbaar bij voorraad
Tijdens de zitting heeft de rechtbank aangegeven de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te zullen verklaren. Echter zal de rechtbank in deze beschikking geen eindbeslissing geven. Daarom zal uitvoerbaarverklaring bij voorraad achterwege blijven.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen definitieve beslissing neemt op de voorliggende verzoeken, zal de rechtbank ook de beslissing ten aanzien van de proceskosten aanhouden in afwachting van het verloop van het begeleide contact bij [instelling] .

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat partijen overeenstemming hebben over hun deelname aan het traject bij [instelling] dat het contact tussen de vader en [minderjarige] zal faciliteren;
*
stelt vast dat er
voorlopig(begeleid) contact zal zijn tussen de minderjarige [minderjarige] en de vader, welk contact onder regie van [instelling] zal worden vormgegeven en opgebouwd met inachtneming van de navolgende voorwaarden:
Het contactmoment vindt plaats op de dag dat [instelling] beschikbaar is. Mochten de ouders op die dag niet kunnen, dan wordt de omgang verplaatst naar een andere dag die week.
[minderjarige] krijgt een vaste kindbegeleider bij [instelling] , die de contactmomenten begeleidt.
Het contactmoment vindt niet plaats als [minderjarige] zodanig ziek is dat hij ook niet naar school zou gaan.
Uitgangspunt is dat de begeleiding vanuit [instelling] minimaal zes maanden zal duren. De contactmomenten zullen in eerste instantie plaatsvinden op een locatie van [instelling] . Dit gebeurt in de regel eens per twee weken. Indien [instelling] dit wenselijk vindt, kunnen de contactmomenten ook wekelijks plaatsvinden, rekening houdend met belastbaarheid en met de schoolgang van [minderjarige] .
De kindbegeleider zal, na consultatie van de ouders, bepalen wanneer het in het belang van [minderjarige] is om de contactmomenten in de thuissituatie van vader te laten plaatsvinden.
De moeder brengt [minderjarige] naar het contactmoment en na afloop van het contactmoment brengt de vader [minderjarige] terug naar huis. Het brengen en halen gebeurt door de ouders alleen. Als de kindbegeleider het niet verantwoord vindt dat de vader alleen is met [minderjarige] , haalt moeder [minderjarige] ook op na afloop van het contactmoment.
De kindbegeleider maakt een schriftelijk verslag van ieder contactmoment en deelt dit met beide ouders. De kindbegeleider bespreekt ook ieder contactmoment na met zowel de vader als de moeder. Vader kan in dat gesprek eventueel verdere handvatten krijgen en moeder kan zicht geven op het welbevinden van [minderjarige] na de omgang.
De ouders hebben afgesproken dat de huidige partner van de vader en haar kinderen niet zullen worden geïntroduceerd gedurende de eerste zes maanden na aanvang van de begeleide contactmomenten. De kindbegeleider zal, na consultatie van de ouders en op basis van de ontwikkeling van [minderjarige] , bepalen wanneer introductie passend is. Het tempo en hetgeen [minderjarige] nodig heeft en aankan, zijn daarbij leidend. De kennismaking van [minderjarige] met de huidige partner van de vader en haar kinderen zal worden begeleid vanuit [instelling] en vindt gesplitst plaats, waarbij eerst de nieuwe partner van de vader aan [minderjarige] zal worden geïntroduceerd en op een later moment de kinderen van de nieuwe partner van de vader zullen worden geïntroduceerd.
[instelling] zal als einddoel hanteren dat [minderjarige] onbegeleid bij de vader thuis verblijft, in aanwezigheid van de nieuwe partner van de vader en haar kinderen. Indien het gedragen kan worden door [minderjarige] , zal [instelling] daarbij toewerken naar een verblijf inclusief overnachting(en), zoals beschreven in het lichaam van deze beschikking. Indien [instelling] dit einddoel wegens de belastbaarheid en mogelijkheden van [minderjarige] niet haalbaar acht, dient dat te worden opgenomen en toegelicht in het eindverslag.
Evaluatie met beide ouders vindt plaats aan het einde van het traject. Deze evaluatie wordt door [instelling] neergelegd in een eindverslag. Dat verslag wordt voorgelegd aan de rechtbank. De rechtbank zal vervolgens de uiteindelijke zorgregeling vaststellen. Tussen het laatste contactmoment bij [instelling] en de beschikking van de rechtbank waarbij de definitieve zorgregeling wordt vastgelegd, blijft in ieder geval de tot dan toe opgebouwde regeling van kracht, tenzij [instelling] aangeeft dat er contra-indicaties zijn.
Partijen en [instelling] kunnen in onderling overleg afwijken van deze voorwaarden, mits zij overeenstemming bereiken over de afwijking. Als zij het niet eens worden, blijft hetgeen in deze beschikking is opgenomen van kracht.
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van
de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, vakanties en feestdagen, de zorgverzekeringspas, het paspoort en de proceskostenpro forma aan tot
1 oktober 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 december 2025.