ECLI:NL:RBDHA:2025:27338

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694965 / FA RK 25-8802
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 lid 2 RvArt. 824 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen kinder- en partneralimentatie na scheiding met zorgregeling

De rechtbank Den Haag heeft op 24 december 2025 een beschikking gegeven in een zaak over voorlopige voorzieningen met betrekking tot kinder- en partneralimentatie en de zorgregeling voor een minderjarige.

Partijen zijn gescheiden en de zorg voor het kind is verdeeld tussen man en vrouw volgens een co-ouderschapsregeling. De man krijgt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toegewezen, omdat de vrouw inmiddels is verhuisd. De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast die aansluit bij de huidige situatie.

De rechtbank berekent de behoefte van het kind op € 937,- per maand en verdeelt deze naar rato van de draagkracht van partijen. De man wordt veroordeeld tot betaling van een voorlopige kinderalimentatie van € 524,- per maand. Voor partneralimentatie wordt de behoefte van de vrouw vastgesteld op € 3.405,- netto per maand, met een aanvullende behoefte van € 1.715,-. De man heeft een draagkracht van € 623,- bruto per maand, hetgeen de rechtbank toewijst als voorlopige partneralimentatie.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden door partijen zelf gedragen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek toe en bepaalt voorlopige kinderalimentatie van € 524,- en partneralimentatie van € 623,- bruto per maand met exclusief gebruik woning voor de man.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8802
Zaaknummer: C/09/694965
Datum beschikking: 24 december 2025

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 20 november 2025 ingekomen verzoek:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Braat te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: W.N. Sardjoe te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken;
  • het F9-formulier van 10 december 2025, met bijlage, van de vrouw.
Op 11 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk J.M. van der Boom;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Verzoek en verweer

Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij is bepaald dat:
- tussen partijen de volgende verdeling van de zorg zal gelden over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] :
  • van maandagochtend tot woensdagochtend heeft de man de zorg voor [de minderjarige] , waarbij de man en [de minderjarige] op maandag en dinsdag tussen 17.00 en 18.00 uur in de keuken zijn om te koken en te eten;
  • van woensdagmiddag tot vrijdagochtend naar school heeft de vrouw de zorg voor [de minderjarige] , waarbij de vrouw en [de minderjarige] op woensdag tussen 17.00 uur en 18.00 uur in de keuken zijn om te koken en eten en op donderdag tussen 17.30 en 18.30 uur;
  • de weekenden in week 1 en 3 heeft de vrouw de zorg voor [de minderjarige] , waarbij de man
in het weekend in week 1 niet in de echtelijke woning verblijft en in week 3 zijn de
vrouw en [de minderjarige] tussen 17.00 uur en 18.00 uur in de keuken om te koken en te eten;
  • in de weekenden in week 2 en 4 heeft de man de zorg voor [de minderjarige] ;
  • gedurende de zomervakantie is [de minderjarige] in week 1 en 2 samen met de vrouw in de echtelijke woning, de man verblijft elders;
  • gedurende de zomervakantie geldt in week 3 en 6 de reguliere zorgregeling zoals hierboven omschreven;
  • gedurende de zomervakantie heeft de man de zorg voor [de minderjarige] in week 4 en 5.
De vrouw verzoekt voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank nu bepaalt dat:
  • [de minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd;
  • er sprake zal zijn van een zorgregeling, inhoudende dat:
  • [de minderjarige] bij de man zal zijn: wekelijks van maandagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school en in de weekenden in week 2 en 4 van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school;
  • [de minderjarige] bij de vrouw zal zijn: wekelijks van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school en in de weekenden in week 1 en 3 van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school;
  • de man een voorlopige kinderalimentatie zal voldoen van € 600,- per maand;
  • de man een voorlopige partneralimentatie zal voldoen van € 3.536,- bruto per maand, dan wel subsidiair van tenminste € 1.864,- bruto per maand,
kosten rechtens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Hierbij verzoekt de man zelfstandig om voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank nu bepaalt dat:
  • het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man wordt toegewezen;
  • primair:[de minderjarige] aan de man toevertrouwd;
subsidiair:er een voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld zoals deze thans loopt op grond van het co-ouderschap, waarbij de man [de minderjarige] bij zich zal hebben van vrijdag tot en met woensdag in de ene week en van maandag tot en met woensdag in de andere week, en de helft van de vakanties en feestdagen, althans een zorgregeling vast te stellen die de rechtbank redelijk acht;
uiterst subsidiair:de voorlopige kinderalimentatie wordt vastgesteld op grond van een co-ouderschap, op € 131,-- per maand, althans een bedrag vast te stellen dat de rechtbank redelijk acht,
uitvoerbaar bij voorraad.

Beoordeling

Uitsluitend gebruik echtelijke woning
Naar de rechtbank begrijpt, verzoekt de man om het uitsluitend gebruik van de woning voor de duur van het geding aan hem toe te wijzen. Nu de vrouw hiertegen geen verweer heeft gevoerd en inmiddels al een nieuwe woning heeft gevonden en daar ook ingeschreven staat, zal de rechtbank het verzoek van de man als onweersproken toewijzen.
Toevertrouwing [de minderjarige]
Op de zitting heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de toevertrouwing van [de minderjarige] ingetrokken, nu de man heeft toegezegd dat hij ermee akkoord is dat [de minderjarige] op het adres bij de vrouw ingeschreven staat en dat de vrouw de toeslagen voor [de minderjarige] ontvangt. Naar de rechtbank begrijpt, trekt de man zijn verzoek om [de minderjarige] aan hem toe te vertrouwen, ook in. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank op de over en weer gedane verzoeken tot toevertrouwing geen beslissing meer nemen.
(Voorlopige) zorgregeling
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 824 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken indien de omstandigheden na het geven van de beschikking zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven.
De rechtbank heeft bij beschikking van 16 juli 2025 een voorlopige verdeling van de zorg voor [de minderjarige] vastgesteld. De rechtbank neemt gewijzigde omstandigheden aan, omdat de woonsituatie ten opzichte van voornoemde beschikking veranderd is. Destijds woonden partijen nog samen in de echtelijke woning. Inmiddels is de vrouw verhuisd naar een andere woning. De rechtbank zal partijen daarom ontvangen in hun verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het eens over de voorlopige zorgregeling. De rechtbank zal deze regeling vaststellen in het dictum van de beschikking.
Kinderalimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen.
De vrouw stelt dat er voor haar NBI tijdens het huwelijk moet worden uitgegaan van een inkomen van € 1.606,- per maand. Ter onderbouwing hiervan voert zij aan dat zij de eerste jaren van het huwelijk niet heeft gewerkt, maar dat zij, met zicht op de scheiding, vanaf november 2024 wel is gaan werken, en het afgelopen jaar € 1.606,- per maand heeft verdiend. Vervolgens hebben partijen nog ongeveer een jaar samengeleefd, wat maakt dat het gezinsinkomen – door het inkomen van de vrouw – het afgelopen jaar een stuk hoger is geweest.
De man stelt op zijn beurt dat er bij de berekening van de behoefte van [de minderjarige] niet moet worden uitgegaan van inkomsten aan de zijde van de vrouw, nu zij pas in november van het jaar 2024 is gaan werken en er dus bijna het hele jaar voorafgaand aan het jaar van de scheiding (2024) sprake van één inkomen, zijnde het inkomen van de man.
De rechtbank zal voor het NBI van de vrouw niet uitgaan van een inkomen aan haar zijde. De rechtbank acht daarbij doorslaggevend dat de welstand van het gezin gedurende vrijwel het hele huwelijk werd bepaald door het inkomen van de man, en de vrouw, naar zij zelf ook heeft aangegeven, pas met het zicht op de scheiding is begonnen met werken. Daarom vindt de rechtbank het redelijk om aan te sluiten bij de situatie zoals die vrijwel het hele huwelijk was.
Hieruit volgt dat haar NBI op het moment van het huwelijk (in 2024) € 0,- was.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat ook zal berekenen. De rechtbank hanteert bij de berekening van de draagkracht van een ondernemer als uitgangspunt de gemiddelde winst van de voorafgaande drie kalenderjaren, nu op deze wijze de (incidenteel) hoge en lage winsten worden gecompenseerd en een reëel beeld van de behaalde winst wordt gegeven.
De rechtbank zal uitgaan van een gemiddeld resultaat over de jaren 2022, 2023 en 2024. Van het jaar 2025 zijn nog geen cijfers bekend. Wel vindt de rechtbank het redelijk om aan te sluiten bij de prognose van 2024. De man heeft deze prognose zelf opgesteld en overgelegd aan de vrouw, en heeft niet inhoudelijk weersproken dat de cijfers uit zijn prognose onjuist zijn. De rechtbank acht deze prognose daarom representatief. Zoals hierna zal blijken, wijkt het gemiddelde resultaat van voornoemde jaren ook niet ver af van het bedrag waar de man zelf mee rekent, zijnde de winst uit onderneming in 2023 van
€ 119.686,-.
De rechtbank gaat uit van een winst uit onderneming in 2022 van € 91.922,-, van een winst uit onderneming in 2023 van € 119.686,-, en van de geprognosticeerde winst uit onderneming in 2024 van € 153.459,-. De gemiddelde winst uit onderneming van 2022, 2023 en 2024 bedraagt dan € 121.689,-.
De man stelt er een bedrag van € 5.000,- aan pensioenafdracht in mindering dient te worden gebracht op zijn winst uit onderneming. De vrouw betwist dit, nu de man niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk een bedrag aan pensioen opzij zet.
De rechtbank zal geen rekening houden met het door de man genoemde bedrag van
€ 5.000,- aan pensioenopbouw, omdat de man niet met nadere stukken heeft aangetoond dat hij jaarlijks € 5.000,- reserveert voor zijn pensioen.
Verder houdt de rechtbank ook rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op € 6.209,- per maand. Gelet op het feit dat de rechtbank hiervoor uitgaat van de financiële situatie van partijen zoals die was in 2024, zal zij de behoefte van [de minderjarige] vaststellen naar het jaar 2024 (en niet naar het jaar 2025 waarin partijen feitelijke uit elkaar zijn gegaan). Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 880,- per maand voor [de minderjarige] in 2024. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 937,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat voor de vrouw rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit. Zoals reeds eerder overwogen, wordt in de voorlopige voorzieningenprocedure zoveel mogelijk aangesloten bij de feitelijke situatie van partijen, waarin geen plaats is voor het beoordelen van de verdiencapaciteit.
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 1.607,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij, gelet op het feit dat de vrouw thans ziek thuis zit, uit van het periodesalaris zoals dat volgt uit de loonstroken van de vrouw van augustus, september en oktober van het jaar 2025.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 46,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.181,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan 70% x [NBI – (654 + 1.310)] = € 152,- per maand.
De vrouw heeft op zitting nog aangevoerd dat zij substantieel hogere woonlasten heeft dan het woonbudget. Gelet op het verweer van de man ziet de rechtbank in het kader van deze voorlopige voorzieningen procedure echter geen aanleiding om hiermee rekening te houden, ook omdat de vrouw voorafgaand aan de zitting hier (in haar verzoekschrift en berekeningen) geen beroep op heeft gedaan en zij de rechtbank ook geen inzicht heeft gegeven in de exacte hoogte van deze (huur)kosten.
Draagkracht man
Ten aanzien van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde inkomensgegevens als bij de behoefteberekening, dus van de gemiddelde winst uit onderneming van 2022, 2023 en 2024, zijnde € 121.689,-.
De man stelt dat voor de bepaling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de aflossing van zijn schulden. Hij heeft twee schulden bij de Belastingdienst, één van
ongeveer € 45.000,-, waar hij nog niet op aflost, en één schuld van ongeveer € 30.000,- waar hij al wel € 590,- per maand op aflost. Op de zitting heeft de man toegelicht dat deze schuld voortkomt uit de Covid periode, en hij hiervoor uitstel van betaling heeft gekregen. De man is van oordeel dat deze laatste schuld een huwelijke schuld is, welke hij niet had kunnen vermijden en waar hij zich niet van kan bevrijden.
De vrouw is van mening dat er geen rekening moet worden gehouden met de man zijn schulden. Ten eerste omdat er slechts één aflossingsafschrijving uit juni 2025 is overgelegd, en het niet duidelijk is of de man hedendaags nog steeds aflost. Daarnaast betwist de vrouw dat dit een vermijdbare en verwijtbare schuld is.
De rechtbank overweegt als volgt. Enerzijds is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat de man maandelijks € 590,- per maand aflost op zijn schuld. Anderzijds heeft de man geen inzicht gegeven in cijfers waaruit zou kunnen blijken of hij in staat is om de schuld af te lossen met zijn liquide middelen, waardoor de rechtbank niet goed kan beoordelen of er sprake is van een vermijdbare schuld. De rechtbank zal daarom in redelijkheid bepalen dat de helft van het bedrag van de maandelijkse aflossing van € 590,- in mindering zal worden gebracht op zijn draagkracht. Voor de andere helft gaat de rechtbank ervan uit dat de man deze uit zijn vrije ruimte zal voldoen.
Verder voert de man aan dat er rekening gehouden moet worden gehouden met de leasevergoeding van zijn autokosten. De vrouw betwist dit, nu deze kosten al verdisconteerd zijn bij het bepalen van zijn winst.
De rechtbank zal geen rekening houden met de leasevergoeding van de autokosten van de man. Uit de door man verstrekte prognose over zijn inkomen in 2024 blijkt dat de kosten die de man maakt voor zijn auto, al zijn meegenomen bij het berekenen van zijn winst uit onderneming.
Wel houdt de rechtbank rekening met de alimentatieverplichting van de man voor zijn twee anderen kinderen, met de zelfstandigenaftrek en met de MKB-winstvrijstelling.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 6.201,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,- + € 295,-)] gebruiken. Hieruit volgt dan: 70% x [6.201 – (1.860 + 1.310 + 295 )] = € 1.915,- per maand. Hierop wordt het bedrag van € 400,-, zijnde de bijdrage voor de andere twee kinderen van de man, in mindering gebracht. Op basis van het voorgaande bedraagt de draagkracht van de man dan € 1.515,- (1.915 - 400).
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.667,- per maand (152 + 1.515). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.515 : 1.667 x 937 = € 852,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 152 : 1.667 x 937 = € 85,-
______
samen € 937,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 852,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 85,- komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat er sprake is van een zorgkortingspercentage van € 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 328,- per maand (35% van € 937,-).
Aandeel man
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 524,- per maand (852 - 328).
Ingangsdatum
De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv Pro, de datum van deze beschikking – 24 december 2025 – als ingangsdatum te hanteren.
Conclusie
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 24 december 2025, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 524,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de voorlopige kinderalimentatie afwijzen.
Partneralimentatie
De vrouw verzoekt primair om een partneralimentatie van € 3.536,- bruto per maand en subsidiair van tenminste € 1.864,- bruto per maand. De man stelt dat hij niet voldoende draagkracht heeft om partneralimentatie aan de vrouw te kunnen voldoen. De rechtbank zal daarom zelf een berekening maken.
Behoefte
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm.
De rechtbank heeft het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk – in 2024 – bij de berekening van de voorlopige kinderalimentatie al berekend op € € 6.209 per maand. Hiervan moeten de kosten van [de minderjarige] worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 5.329,- per maand (6.209 -/- 880) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 3.197,- netto per maand (60% van € 5.329,- per maand) in 2024. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 3.405,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
De rechtbank zal nu beoordelen in hoeverre de vrouw tijdens de echtscheidingsprocedure redelijkerwijs zelf in haar behoefte kan voorzien.
Zoals eerder overwogen, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat voor de vrouw rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit, omdat in de voorlopige voorzieningenprocedure zoveel mogelijk aangesloten bij de feitelijke situatie van partijen, waarin geen plaats is voor het beoordelen van de verdiencapaciteit.
Voor het NBI van de vrouw in 2025 zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de voorlopige kinderalimentatie en dus van een NBI van € 2.181,-. Hierop wordt het door de vrouw te ontvangen KGB in mindering gebracht. Het NBI van de vrouw ten behoeve van de partneralimentatie bedraagt dan € 1.690,-.
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 3.197,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen wordt gedekt door het door de vrouw te ontvangen KGB, dus dit wordt er niet bij opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.715,- (€ 3.405 -/- 1.690) netto per maand. Gebruteerd is dat € 3.099,- per maand.
Draagkracht man
Ten aanzien van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de voorlopige kinderalimentatie en dus van een NBI van € 6.201,- per maand. Ook hier houdt de rechtbank weer rekening met de helft van het bedrag van de maandelijkse aflossing op de schulden (€ 295,-) en de bijdrage voor de andere twee kinderen van de man (€ 400,-).
Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.242,- per maand (60% x [6.201– (0,3 x 6.201 + 1310 + 295) - 400]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] van € 852,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van €390,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 623,- per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv Pro, de datum van deze beschikking – 24 december 2025 – als ingangsdatum te hanteren.
Conclusie
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 24 december 2025, voorlopig een partneralimentatie van € 623,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de voorlopige partneralimentatie afwijzen.
Proceskosten
Omdat het hier een kwestie van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 16 juli 2025 – :
*
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
stelt een voorlopige zorgregeling vast, waarbij de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , bij de man zal zijn:
  • wekelijks van maandagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school;
  • om de week (in week 2 en 4) van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school;
  • de helft van de vakanties en feestdagen;
en [de minderjarige] bij de vrouw zal zijn:
  • wekelijks van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school;
  • om de week (in week 1 en 3) van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school;
  • de helft van de vakanties en feestdagen;
*
bepaalt dat de man aan vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige] van € 524,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden voorlopig een partneralimentatie van € 623,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 december 2025.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Partij
Man
Zaak
Man / Vrouw
Berekening
Behoefte
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
23-12-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
121.689
70
Winst uit onderneming
121.689
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
3.75
- Zelfstandigenaftrek
3.75
MKB Winstvrijstelling
-
15.698
75
Belastbare winst uit onderneming
102.241
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
102.241
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)
14.084
- Schijf 1b, 36,97% over € 38.098 (€ 40.021) t/m € 75.517
13.834
- Schijf 2, 49,5% over € 75.518 of meer
13.228
Correctie aftrek toptarief (ondernemersaftrekken en persoonlijke aftrekken)
2.437
95
Inkomensheffing box 1
43.583
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
121.689
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
43.583
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
212
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
43.371
Inkomen na aftrek inkomensheffing
78.318
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
jaar
Arbeidskorting
212
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
102.241
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
102.241
Maximum bijdrage loon
71.628
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
71.628
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
71.628
Percentage Zvw
%
5,32
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
3.811
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
3.811
120
Besteedbaar inkomen
74.507
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
74.507
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
6.209
Partij
Vrouw
Zaak
Man / Vrouw
Berekening
Behoefte
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
23-12-2025
Besteedbaar inkomen (113-120)
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.362
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.362
jaar
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding Man
6.209
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
6.209
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Ouders hebben in gezinsverband geleefd
ja
NBGI voor scheiding
6.209
Tabel aantal kinderen
1
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel
880
#
Indexeren
ja
Startjaar
2024
Eindjaar
2025
Eigen aandeel ouders geïndexeerd
937
Behoefte obv 60% norm
Netto Behoefte
Netto gezinsinkomen
6.209
Af: kosten van de kinderen
-
880
Saldo
5.329
Netto behoefte obv 60%
3.197
Netto behoefte
3.197
#
Indexeren
ja
Startjaar
2024
Eindjaar
2025
Netto behoefte geïndexeerd
3.405
Partij
Man
Zaak
Man / Vrouw
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
23-12-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
121.689
70
Winst uit onderneming
121.689
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
2.47
- Zelfstandigenaftrek
2.47
MKB Winstvrijstelling
-
15.141
75
Belastbare winst uit onderneming
104.078
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
104.078
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
14.383
- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer
13.494
Correctie aftrek toptarief (ondernemersaftrekken en persoonlijke aftrekken)
2.117
95
Inkomensheffing box 1
43.763
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
121.689
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
43.763
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
481
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
43.282
Inkomen na aftrek inkomensheffing
78.407
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
jaar
Arbeidskorting
481
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
104.078
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
104.078
Maximum bijdrage loon
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
75.864
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
3.99
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
3.99
120
Besteedbaar inkomen
74.417
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
74.417
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
6.201
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
74.417
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
6.201
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
6.201
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
1.86
134a
Extra lasten opnemen
295
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
3.465
136a
Draagkrachtruimte
2.736
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
1.915
138a
Af: Bijdrage aan andere kinderen
-
400
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
1.515
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
6.201
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.31
123b
Woonbudget
1.86
134b
Extra lasten opnemen
295
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
3.465
136b
Draagkrachtruimte
2.736
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
2.736
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
1.642
138b
Af: Bijdrage aan andere kinderen
-
400
140
Beschikbaar
1.242
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
852
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
852
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
390
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
390
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
623
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 4.680 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
104.078
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 4.680, € 4.680 x ( 100 / (100 - 37,48)) =
7.486
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 37,48)) =
jaar
In de schijf van 35,82% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,82)) =
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
7.486
jaar
Of per maand
623
maand
Partij
Vrouw
Zaak
Man / Vrouw
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
23-12-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
19.284
44
Vakantietoeslag
1.543
Bruto inkomsten
20.827
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
552
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
20.275
59
Inkomsten
20.275
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
20.275
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
20.275
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
7.262
95
Inkomensheffing box 1
7.262
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
20.275
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
7.262
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
8.101
Inkomen na aftrek inkomensheffing
20.275
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.068
jaar
Arbeidskorting
3.415
jaar
Combinatiekorting
1.618
jaar
Bij: Kindgebonden budget
5.9
120
Besteedbaar inkomen
26.175
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
26.175
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.181
120b
Af: correctie kindgebonden budget
-
5.9
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
20.275
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
1.69
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
2.181
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
654
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
1.964
136a
Draagkrachtruimte
217
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
152
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
152
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
1.69
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
Afwijken van de tabel?
nee
122b
Kosten van levensonderhoud
1.31
123b
Woonbudget
507
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
1.817
136b
Draagkrachtruimte
-127
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
-127
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
Specificaties voor post: 144
Omdat de verschuldigde belasting lager is dan de heffingskortingen bestaat er geen ficaal voordeel. Resteert voor partneralimentatie per jaar
jaar
Of per maand
maand
Bruto aanvullende behoefte
Netto Behoefte
Netto behoefte
3.405
Berekening Bruto aanvullende Behoefte
Netto behoefte aan inkomen
3.405
Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)
1.69
Af: Post 119a kindgebonden budget
-
492
Restant:
-492
Kosten kinderen uit eigen inkomen
Zelf beschikbaar netto inkomen
-
1.69
Netto aanvullende behoefte
1.715
Bruto aanvullende behoefte
3.099