VSL, een producent van hijs- en transportwerktuigen, kampt met ernstige financiële problemen door onder meer fraude, gezondheidsproblemen en de coronacrisis. VSL ontving een Blz-krediet onder de voorwaarde van een schuldsanering met medewerking van alle crediteuren. Hoewel negen van de tien crediteuren instemden met het saneringsvoorstel, weigerde het Pensioenfonds mee te werken vanwege de aard van de pensioenpremies.
VSL vordert in kort geding dat het Pensioenfonds wordt veroordeeld tot medewerking aan het crediteurenakkoord en tot intrekking van de faillissementsaanvraag. De rechtbank oordeelt dat het Pensioenfonds misbruik maakt van zijn bevoegdheid door de medewerking te weigeren, omdat het belang van VSL en de overige schuldeisers, inclusief de werknemers die hun baan kunnen verliezen, zwaarder weegt dan het belang van het Pensioenfonds.
De rechtbank wijst de vordering tot medewerking toe en bepaalt dat het vonnis zo nodig in de plaats treedt van de wilsuiting van het Pensioenfonds. De vordering tot intrekking van de faillissementsaanvraag wordt afgewezen. Het Pensioenfonds wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.