De minister van Asiel en Migratie legde op 13 november 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op 24 november 2025 op, waarna de rechtbank het beroep op die datum behandelde.
Eiser betwistte de gronden voor de bewaring niet, die onder meer gebaseerd waren op een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op onderduiken. Eiser stelde dat de minister ten onrechte geen lichter middel, zoals een meldplicht, had toegepast. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond, mede vanwege het risico op onderduiken en eerdere onbekende vertrek van eiser.
De ambtshalve toets leidde tot het oordeel dat de maatregel van bewaring gedurende de te toetsen periode niet onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.