ECLI:NL:RBDHA:2025:27214

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.18437
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000artikel 3.106a VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingencirculaire 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens veilig derde land Ecuador onvoldoende gemotiveerd

Eiser, van Venezolaanse nationaliteit, vroeg op 8 november 2023 asiel aan in Nederland. De minister verklaarde zijn aanvraag op 15 april 2025 niet-ontvankelijk omdat Ecuador als veilig derde land werd beschouwd, waar eiser een verblijfsvergunning zou hebben en een band mee zou hebben.

Eiser betwistte dit en stelde dat hij geen deel uitmaakt van het gezin in Ecuador en vreest bij terugkeer gevangen te worden. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht aannam dat eiser een band met Ecuador heeft, gezien zijn verblijf, scholing, werk en familie daar.

De rechtbank vond echter dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat eiser daadwerkelijk zal worden toegelaten tot Ecuador. Eiser beschikte niet over een verblijfsvergunning maar over een inmiddels verlopen visum, en het was onduidelijk of hij opnieuw toegelaten kan worden.

Daarom vernietigde de rechtbank het besluit en gaf de minister acht weken om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werden de proceskosten van eiser aan de minister opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering over toelating tot Ecuador.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.18437

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

geboren op [geboortedatum] 2005, van Venezolaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag van 8 november 2023.
1.1.
Met het besluit van 15 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.W. de Man als tolk in de Spaanse taal en de gemachtigde van de minister.
1.4.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst en de minister verzocht om uiterlijk op 21 juli 2025 schriftelijk te reageren op onder andere de stukken die de gemachtigde van eiser op 6 juli 2025 heeft overgelegd. De minister heeft op 18 juli 2025 verzocht om deze termijn met drie weken te verlengen. Op 6 augustus 2025 heeft de minister nogmaals verzocht om verlenging van de termijn, dit keer met twee weken, omdat er een nieuw informatiebericht in de maak was. Uiteindelijk heeft de minister op 13 augustus 2025 een reactie gezonden. Hierop heeft de gemachtigde van eiser, na verlenging van de reactietermijn, op 26 september 2025 gereageerd. In deze reactie heeft de gemachtigde van eiser verzocht om een nadere zitting.
1.5.
De rechtbank heeft vervolgens op 15 december 2025 een nadere zitting gehouden. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en N.E. Ramirez Ruiz als tolk in de Spaanse taal. De gemachtigde van de minister heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
Waarover gaat deze uitspraak?
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren, omdat Ecuador voor eiser een veilig derde land is. Dat doet zij aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser zal worden toegelaten tot Ecuador. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
3. Eiser heeft op 8 november 2023 asiel aangevraagd. Aan zijn asielrelaas heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij uit Venezuela is vertrokken, omdat zijn vader wordt gezocht door de Venezolaanse autoriteiten. Zijn vader was als commissaris werkzaam bij de [bedrijf] [1] en heeft een video op het internet gedeeld waarin hij slecht praat over de Venezolaanse regering. Sinds hij dit heeft gedaan zijn de autoriteiten naar hem op zoek. Hierdoor zijn politieagenten ook een keer het huis waar eiser en zijn vader woonden binnengevallen. Eiser is gevlucht en heeft vijf jaar in Ecuador gewoond. Daar was het echter ook onveilig voor hem. Eiser vreest bij terugkeer naar Ecuador te worden vastgezet in de gevangenis, omdat hij nu meerderjarig is.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat Ecuador voor eiser kan worden aangemerkt als veilig derde land. Eiser heeft namelijk een zodanige band met Ecuador, dat van hem redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daarheen gaat. Daaraan legt de minister ten grondslag dat eiser van 2019 tot en met 2023 in Ecuador heeft gewoond en dat eiser beschikt over een geldige verblijfsvergunning voor Ecuador. Daarnaast heeft eiser in Ecuador toegang gehad tot scholing en tot de arbeidsmarkt en wonen zijn moeder en broer daar. Zijn moeder werkt ook in Ecuador.
Daarnaast acht de minister het aannemelijk dat eiser opnieuw wordt toegelaten tot Ecuador, omdat hij beschikt over een verblijfsvergunning die geldig is tot 2026. Verder blijkt uit openbare bronnen dat Ecuador asielwetgeving kent en asielzoekers een asielaanvraag kunnen doen. In de brief van 13 augustus 2025 heeft de minister er verder op gewezen dat eiser een visum heeft dat geldig is tot 15 september 2025.
Tot slot kan Ecuador voor eiser als veilig derde land worden aangemerkt en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet zo is.
Juridisch kader
5. De minister kan een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als zij een derde land voor een vreemdeling als veilig derde land beschouwt. [2]
5.1.
De minister moet daarvoor eerst beoordelen of de vreemdeling een zodanige band met het derde land heeft, dat het voor hem redelijk is daar naartoe te gaan. Dit kan het geval zijn als deze vreemdeling in het verleden in dat land heeft gewoond, maar kan ook worden afgeleid uit andere individuele omstandigheden, zoals het hebben van een partner of andere familie in dat land [3] . Het is daarbij in beginsel aan de minister om aan de hand van de verklaringen van een vreemdeling en eventuele overgelegde of anderszins verkregen documenten aannemelijk te maken dat deze vreemdeling een band met het derde land heeft. [4] Het is vervolgens aan deze vreemdeling om dat te weerleggen.
5.2.
Daarna moet de minister beoordelen of aannemelijk is dat de vreemdeling tot dit land wordt toegelaten. Dit moet hij doen aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van de vreemdeling. Vervolgens is het aan de vreemdeling om met tegenbewijs te komen door aannemelijk te maken dat de door de minister geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land in zijn geval niet aanwezig zijn. Het is aan de vreemdeling om inspanningen te verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten, tenzij niet van hem kan worden verlangd dat hij opnieuw probeert toegang tot en verblijf in dat land te krijgen.
5.3.
Als laatste moet de minister beoordelen of de vreemdeling in dit derde land volgens de beginselen genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb [5] zal worden behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
6. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat zijn familieleden, zoals zijn moeder, in Ecuador wonen, niet maakt dat hij een band met Ecuador heeft. Daar komt bij dat eiser geen deel uitmaakt van het gezin van zijn moeder en broertje. Hij verbleef daar immers tijdelijk.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser een band heeft met Ecuador, omdat eiser daar vijf jaar heeft gewoond, daar naar school is gegaan, daar heeft gewerkt, er eerstelijns familieleden van hem wonen en eiser een sociaal netwerk heeft in Ecuador. Dit volgt namelijk uit de verklaringen van eiser. Zo volgt daaruit dat hij van 2019 tot en met 2023 in Ecuador heeft verbleven [6] ; dat hij naar de middelbare school is gegaan en zijn diploma heeft gehaald [7] ; dat hij daarna zijn leven volledig heeft gewijd aan zijn beroep/vak: voetbal [8] ; dat hij als assistent in de bouw heeft gewerkt [9] ; dat hij Engels studeerde en het leuk vond om (op niet professionele wijze) als kapper te werken: hij knipte zijn vrienden en zij betaalden hem daar dan een bedrag voor. [10] De rechtbank is van oordeel dat eiser met zijn stelling dat hij geen deel uitmaakte van het gezin van zijn moeder en broertje, onvoldoende onderbouwd heeft weerlegd dat hij een band met Ecuador heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in Ecuador toegelaten zal worden.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser weer zal worden toegelaten tot Ecuador. Eiser heeft weliswaar tijdens het aanmeldgehoor op 7 februari 2024 verklaard dat hij beschikt over een verblijfsvergunning van twee jaar, die geldig is tot 2026, maar de rechtbank acht het aannemelijk dat eiser zich in dit jaartal heeft vergist en een visum bedoelde. Hierna heeft eiser namelijk een visum van Ecuador overgelegd, met een geldigheidsduur van twee jaar, geldig tot 15 september 2025. Uit hetgeen eiser ter zitting van 7 juli 2025 heeft verklaard, maakt de rechtbank op dat eiser tijdens het aanmeldgehoor op dit visum doelde en zich het jaartal niet juist heeft herinnerd. Op zitting van 16 december 2025 heeft eiser dit nogmaals (onbetwist) herhaald. De rechtbank volgt de minister dan ook niet in zijn standpunt dat, gelet op de eerdere verklaring van eiser tijdens het aanmeldgehoor, ervan uitgegaan kan worden dat eiser beschikt over een verblijfsvergunning die geldig is tot 2026. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser slechts beschikt over genoemd visum.
7.2.
De rechtbank stelt voorts vast dat dit visum op 15 september 2025 is verlopen. Dit betekent dat op basis van dit visum niet zonder meer gesteld kan worden dat eiser toegelaten zal worden tot Ecuador. Uit het visum volgt weliswaar dat dit visum kan worden verlengd, maar volgens eiser moet hij daarvoor op het grondgebied van Ecuador zijn. Daar komt bij dat verlengen van de geldigheidsduur niet meer aan de orde kan zijn, omdat het visum al is verlopen. Of het voor eiser mogelijk is om ook na afloop van de termijn opnieuw een visum aan te vragen, is niet duidelijk. Tot slot heeft de minister nog gewezen op de mogelijkheid voor eiser om een asielaanvraag in te dienen in Ecuador. De rechtbank is echter van oordeel dat de enkele omstandigheid dat eiser een asielaanvraag kan indienen, niet betekent dat deze wordt ingewilligd en eiser daadwerkelijk tot Ecuador zal worden toegelaten. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het voorgaande heeft de minister het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak en daarbij rekening moeten houden met de door eiser, in het kader van de vraag of Ecuador in het algemeen en voor hem gezien kan worden als veilig derde land, in beroep overgelegde stukken [11] . De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1,5 punten voor het verschijnen ter (nadere) zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; en
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter,
in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.De nationale inlichtingendienst van Venezuela.
2.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379.
4.Paragraaf C2/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc).
5.Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Pagina 7 en 11 van het aanmeldgehoor en pagina 3 van het nader gehoor.
7.Pagina 7 van het aanmeldgehoor.
8.Pagina 7 van het aanmeldgehoor.
9.Pagina 8 van het aanmeldgehoor
10.Pagina 8 van het aanmeldgehoor.
11.De rechtbank doelt op de stukken die op 14 december 2025 zijn overgelegd.