Eiser was vanaf 1 augustus 2025 in grensdetentie, die tijdelijk werd onderbroken vanwege het uitzitten van strafrechtelijke detentie. De minister hanteerde de strafrechtelijke detentie mee bij de berekening van de maximale termijn van dertien weken grensdetentie en bood een schadevergoeding aan voor elf dagen overschrijding.
De rechtbank stelt vast dat de strafrechtelijke detentie niet moet worden meegerekend bij de beoordeling van de naleving van de dertien weken termijn, conform jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Opvangrichtlijn. Hierdoor is de grensdetentie niet te lang geweest.
De rechtbank ziet geen reden om strenger te toetsen dan de minister en verklaart het beroep gegrond. De minister wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1.100,- en de proceskosten van €1.814,-. Het hoger beroep staat open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.