ECLI:NL:RBDHA:2025:27209

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.17349
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken beschermenswaardig familieleven

Eiseres, een Syrische vrouw, vroeg een machtiging voorlopig verblijf aan om bij haar zoon in Nederland te verblijven. De minister wees dit af wegens het ontbreken van een beschermenswaardig familieleven op grond van artikel 8 EVRM Pro, omdat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en haar zoon bestaat en geen hechte persoonlijke banden met haar kleindochter.

Eiseres stelde dat er sprake is van langdurige samenwoning, financiële en emotionele afhankelijkheid, en medische noodzaak vanwege haar gezondheidstoestand, waaronder beginnende Alzheimer. De rechtbank oordeelde echter dat samenwoning alleen onvoldoende is en dat de minister terecht concludeerde dat er geen exclusieve afhankelijkheid of mantelzorgrelatie bestaat. Ook de emotionele band werd niet als meer dan gebruikelijk beoordeeld.

Ten aanzien van de kleindochter stelde eiseres dat er hechte persoonlijke banden zijn, ondersteund door schoolverklaringen. De rechtbank vond dat deze banden niet verder gaan dan gebruikelijk voor grootouders en kleinkinderen en dat de minister dit terecht heeft beoordeeld.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om griffierechtteruggave en proceskostenvergoeding af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van beschermenswaardig familieleven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17349
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar zoon [persoon] (referent) op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. [1] De minister heeft deze aanvraag met het besluit van
22 januari 2024 afgewezen (het primaire besluit).
1.2.
Met het bestreden besluit van 17 maart 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent en J. Labban als tolk in de Arabische taal. De gemachtigde van de minister heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1958 en heeft de Syrische nationaliteit. Op
1 december 2022 heeft referent ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ omdat zij in Nederland bij referent, zijn vrouw en hun dochter wil verblijven.
2.2.
De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van een beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Er is ook geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleindochter. De minister heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024 [2] geen belangenafweging gemaakt.
Meer dan gebruikelijk afhankelijkheid
3.1.
Eiseres voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haar en referent. Eiseres en referent hebben 39 jaar met elkaar samengewoond, vanaf de geboorte van referent tot aan zijn vertrek uit Syrië in 2021. Er is dus sprake van een zeer lange duur van samenwonen en in het bestreden besluit is nagelaten te motiveren welk gewicht hieraan is toegekend. Het is niet in geschil dat referent zijn moeder volledig financieel ondersteunt, waardoor er ook op dit punt sprake is van afhankelijkheid. Daarnaast is in het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze getoetst of sprake is van medische en praktische afhankelijkheid tussen referent en eiseres. Eiseres heeft met medische informatie onderbouwd dat zij een aantal chronische aandoeningen heeft die de afgelopen jaren onder invloed van de slechte veiligheidssituatie in Syrië zijn verslechterd. Recentelijk is daar bij gekomen dat eiseres is gediagnostiseerd met beginnende Alzheimer. Zij is niet in staat om boodschappen te doen en heeft slechts zelden de kracht om voor zichzelf te koken. Eiseres voert aan dat, dit alles tezamen, het aannemelijk is dat zij niet zelfstandig kan functioneren en mantelzorg nodig heeft. De eis die de minister eiseres tegenwerpt dat er sprake moet zijn van exclusieve afhankelijkheid, is te streng en een verkeerd criterium. [3] Tot slot is door de minister niet gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en referent aangezien zij elkaar dagelijks spreken. Gelet op al het bovenstaande kan het bestreden besluit geen stand houden.
3.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit rechtspraak van het EHRM [4] volgt dat bij relaties tussen meerderjarige kinderen en hun ouders voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, sprake moet zijn van een meer dat gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than the normal emotional ties’). [5] Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar ‘additional elements of dependancy’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). [6] Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [7] Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres en referent hebben samengewoond tot het vertrek in 2021 van referent uit Syrië. Maar samenwonen op zichzelf is onvoldoende om als bijkomend element van afhankelijkheid te worden gekwalificeerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat de samenwoning van eiseres en referent tot een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie heeft geleid. De minister heeft daarom in het bestreden besluit terecht overwogen dat het samenwonen in deze situatie niet leidt tot bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dit geldt ook voor de financiële afhankelijkheid van eiseres aangezien referent deze steun vanuit Nederland kan blijven voortzetten.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht als relevant element heeft laten meewegen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij afhankelijk is van de hulp en verzorging van referent, noch dat zij hiervoor exclusief afhankelijk is van referent of zijn vrouw. Daarbij is relevant dat eiseres de boodschappen thuisbezorgd krijgt en haar medicijnen krijgt van haar behandelend arts, zoals op de hoorzitting is gebleken. Hoewel referent zich als zoon van eiseres verantwoordelijk voelt voor de verzorging van zijn moeder en dat hij de relatie met haar als bijzonder ervaart, maakt dit niet dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.
3.5.
Tot slot heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er een verband is tussen de onveilige omstandigheden in Syrië en haar situatie als individu. De minister heeft terecht overwogen dat artikel 8 van Pro het EVRM zich niet strekt tot bescherming op humanitaire gronden of bescherming van sociaaleconomische belangen van eiseres. Ook van emotionele afhankelijk tussen eiseres en referent is de rechtbank niet gebleken. Referent heeft zich in Nederland kunnen ontwikkelen en zelfstandig staande gehouden zonder de aanwezigheid van eiseres. Het feit dat referent dagelijks contact met eiseres heeft en dat zij er mentaal op achteruit gaat, maakt dit niet anders. Het is de rechtbank niet gebleken dat er, zoals eiseres aanvoert, sprake is van strijd met zorgvuldigheid omdat de minister de medische verklaring van eiseres niet integraal heeft beoordeeld. Deze medische verklaring zorgt, in samenhang met de overige inhoud van het dossier bezien, naar het oordeel van de rechtbank niet voor bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent.
3.6.
De rechtbank komt tot de conclusie dat niet is aangetoond dat tussen eiseres en referent sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Er is dus geen sprake van een familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
Hechte persoonlijke banden
4.1.
Eiseres stelt dat de minister ten onrechte geen hechte persoonlijke banden tussen eiseres en de dochter van referent (de kleindochter) heeft aangenomen. Hiertoe voert zij aan dat eiseres en de kleindochter altijd hebben samengewoond, tot het vertrek van de kleindochter uit Syrië. Eiseres is een belangrijk zorgfiguur voor haar kleindochter, namelijk een volwaardig ouderfiguur in haar leven. Eiseres hielp haar kleindochter met haar huiswerk, met Arabisch en las haar voor. Uit de brieven van 26 februari 2025 en
15 oktober 2025 van de directeur van de basisschool van de kleindochter blijkt dat de band tussen eiseres en kleindochter verder gaat dan de gebruikelijke band tussen grootouder en kleinkind. Inmiddels is er zelfs sprake van een achteruitgang in het sociaal-welzijn van de kleindochter vanwege het gemis van haar oma. Daarnaast blijkt ook uit deze verklaring dat de aanwezigheid van eiseres in Nederland de algehele stabiliteit van het gezin en de schoolprestaties van de kleindochter ten goede zal komen. Het is onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van een hechte band, die verder gaat dan wat verwacht mag worden van een band tussen grootouder en kleinkind.
4.2.
Volgens vast jurisprudentie [8] van het EHRM en de Afdeling wordt tussen een minderjarig kind en zijn grootouder slechts familieleven aangenomen als uit de feiten en omstandigheden volgt dat sprake is van hechte persoonlijke banden (close personal ties). ‘Hechte persoonlijke banden’ is een begrip van feitelijke aard. Of daarvan sprake is, moet dus altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Een omstandigheid die kan duiden op ‘hechte persoonlijke banden’ is samenwoning. Ook als de relatie de gebruikelijke omgang overstijgt, kan dit duiden op ‘hechte persoonlijke banden’. [9] De rechtbank toetst of de minister alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van familieleven tussen eiseres en haar kleinkinderen. Het is aan eiseres om te stellen en zoveel mogelijk te onderbouwen uit welke feiten en omstandigheden de hechte persoonlijke banden blijken.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en haar kleindochter geen sprake is van hechte persoonlijke banden. De in 4.1. uiteengezette situatie duidt er weliswaar op de kleindochter erg gesteld is op eiseres, maar het is de rechtbank niet gebleken dat deze band verder gaat dan de gebruikelijke band tussen een grootouder en een kleinkind. Helpen met huiswerk en voorlezen zijn bij uitstek taken die grootouders gemiddeld uitvoeren. De rechtbank merkt daarnaast op dat de stelling dat de aanwezigheid van eiseres een positief effect kan of zal hebben op de kleindochter, nog niet betekent dat er sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
4.4.
Wat betreft de brieven van de directeur van de basisschool kan de rechtbank niet opmaken op welke gronden de directeur tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en de kleindochter. De brieven leiden daarom niet tot een ander oordeel.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan, voor zover deze gaat over het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
5.Werkinstructie 2020/16 ‘Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro’.
6.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, app.no. 47486/06.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
8.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 26 november 2013, Vasquiez t. Zwitserland, par. 48, ECLI:CE:ECHR:2013:1126JUD000178508. Zie ook het arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06 en arrest van 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, app.no. 8000/08.
9.Werkinstructie 2020/16 ‘Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro’.