ECLI:NL:RBDHA:2025:27208

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.13667
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende onderbouwing familieband en terugkeervoornemen

Eiser, een Afghaanse staatsburger geboren in 1948, verzocht op 15 juli 2024 om een visum kort verblijf om zijn dochter te bezoeken. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf en twijfels over het terugkeervoornemen.

De rechtbank constateerde dat de minister onjuiste informatie in het verweerschrift had opgenomen over het ontbreken van bewijs van de familieband, terwijl eiser juist documenten had overgelegd die deze band aantonen. Ook was de minister niet op zitting verschenen en was het verweerschrift summier.

Verder oordeelde de rechtbank dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de persoonlijke en algemene situatie in Afghanistan, waaronder de economische binding die door de dochter van eiser was toegelicht. De sociale binding was niet adequaat gemotiveerd.

De rechtbank stelde dat de minister het besluit onvoldoende zorgvuldig had voorbereid en niet deugdelijk had gemotiveerd. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij ook een hoorzitting wordt aanbevolen.

De minister werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13667
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister),

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum kort verblijf.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 februari 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 2 december 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser en de dochter van eiser, [dochter] , hebben hieraan deelgenomen. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1948 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 15 juli 2024 heeft eiser de minister verzocht om afgifte van een visum kort verblijf om zijn dochter (referent) te bezoeken.
2.2.
De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Ook bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van voldoende sociale en economische binding met Afghanistan.
Doel en omstandigheden van verblijf
3.1.
In artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn de gronden opgenomen op basis waarvan een visum geweigerd kan worden. Deze weigeringsgronden zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat er een aantal problemen zijn met deze zaak. Om te beginnen is verweerder niet op zitting verschenen. Er ligt wel een verweerschrift, maar dat is summier. En ten aanzien van het doel en omstandigheden van het verblijf is het niet correct wat er in het verweerschrift staat. Er staat namelijk dat de gestelde familieband tussen eiser en zijn dochter in het geheel niet is onderbouwd en dat eiser in bezwaar noch in beroep is opgekomen tegen het onderdeel dat niet is gebleken van de gestelde familieband tussen eiser en zijn dochter. De rechtbank stelt vast dat deze informatie onjuist is. Zoals eiser in een nadere reactie van 25 november 2025 naar voren heeft gebracht, heeft hij op 23 april 2025 een uittreksel van het BRP [1] overgelegd waarmee de familieband tussen eiser en zijn dochter wordt aangetoond. Naar aanleiding van het verweerschrift heeft eiser eveneens paspoortkopieën van zichzelf en zijn dochter overgelegd om de familieband aan te tonen. Het standpunt van de minister dat eiser niet is opgekomen tegen de gestelde familierelatie is dus onjuist en daarmee onzorgvuldig tot stand gekomen. Alleen al om deze reden is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.
Redelijke twijfel over terugkeer
4.1.
Eén van de gronden waarop de minister een visum kan weigeren, is als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. De minister moet bij het beoordelen van het voornemen om tijdig terug te keren een individueel onderzoek naar de visumaanvraag verrichten waarin rekening wordt gehouden met, aan de ene kant, de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en, aan de andere kant, zijn persoonlijke omstandigheden, met name zijn gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in een van de lidstaten en zijn banden in het land waarin diegene woont en in de lidstaten.
4.2.
In het verweerschrift heeft verweerder opgemerkt dat eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit enige inkomsten blijken. Ter zitting heeft de dochter van eiser, referent, met betrekking tot de economische binding verklaard dat de situatie in Afghanistan op dit moment erg ingewikkeld is. Zij heeft verklaard dat haar vader akkers bezit waardoor hij voldoende inkomen heeft om te reizen en zichzelf te onderhouden. Er is volgens haar dus voldoende economische binding met Afghanistan. Referent vreest echter dat, in het geval haar familie deze economische situatie in Afghanistan voor de minister moet onderbouwen met papieren afgegeven door de Afghaanse autoriteiten, die autoriteiten haar familie maandelijks zullen lastig vallen om bijvoorbeeld geld te innen. Het is om die reden voor referent, en eiser, niet mogelijk om de economische binding van eiser verder te onderbouwen met papieren uit Afghanistan.
4.3.
Gezien wat in rechtsoverweging 4.1. is overwogen, het feit dat de huidige situatie in Afghanistan algemeen bekend is, en gelet op de toelichting van referent op zitting vindt de rechtbank dat verweerder niet kan volstaan met de motivering zoals weergegeven in het verweerschrift.
4.4.
Een ander punt is dat in het verweerschrift ook niet is ingegaan op de sociale binding. Dit terwijl er na het verweerschrift nog stukken zijn ingediend door eiser ter onderbouwing van de sociale binding. Hierop heeft de minister niet meer gereageerd en de minister was zoals gezegd ook niet op zitting om een standpunt in te nemen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat vanwege deze motiveringsgebreken de minister opnieuw naar de zaak moet kijken, en daarbij ook rekening moet houden met de situatie in Afghanistan.
Schending van de hoorplicht
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, anders dan eiser meent, wel kunnen afzien van het horen in bezwaar omdat de relevante stukken pas in de beroepsfase door eiser zijn overgelegd. Dit betekent dat er in bezwaar nog geen aanleiding bestond voor de minister om te twijfelen over de uitkomst van de conclusie. Dat de minister tijdens een hoorzitting vragen had kunnen stellen aan eiser en/of referent, omdat zij in de bezwaarfase zonder een gemachtigde procedeerden, volgt de rechtbank niet. Het is de eigen verantwoordelijkheid om een advocaat te vinden. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser ook niet heeft verzocht om een hoorzitting in bezwaar. Het feit dat referent tijdens de procedure contact heeft gezocht met de minister, betekent niet dat de hoorplicht is geschonden. Als referent niet tevreden is over de gang van zaken staat het haar vrij een klacht in te dienen bij de minister. Wel geeft de rechtbank de minister mee, vanwege wat hiervoor is overwogen, om eiser in het kader van de nieuwe beslissing op bezwaar wel te horen vanwege de informatie die in de beroepsfase is overgelegd en wat er op de zitting door referent is verklaard.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6.3.
De gemachtigde van eiser is erop gewezen dat hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak niet mogelijk is.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025 door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Basisregistratie Personen.