ECLI:NL:RBDHA:2025:27205

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.41704
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 30b VwArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Burundi wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid

Eiser, een Burundese politicus en voormalig lid van UPRONA, diende op 14 augustus 2025 een asielaanvraag in na politieke vervolging en dreiging door de inlichtingendienst van Burundi. Verweerder wees de aanvraag op 31 augustus 2025 af als kennelijk ongegrond, stellende dat eiser zijn identiteit en politieke problemen onvoldoende had onderbouwd met objectieve documenten.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de identiteit van eiser ongeloofwaardig acht, terwijl eiser wel diverse ondersteunende documenten overlegde en een verzoek deed om de aanvraag in een verlengde procedure te behandelen. Ook heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met het asielrelaas over eisers politieke activiteiten bij UPRONA en de verkiezingscommissie, en de daaruit voortvloeiende vervolgingsdreiging.

De rechtbank constateert dat verweerder het asielrelaas te beperkt heeft uitgelegd en onvoldoende is ingegaan op verklaringen en bewijsstukken, waaronder een attestatie van eisers positie en een rapport van Amnesty International over politieke geweldsincidenten. Hierdoor is het besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening af, maar veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser en verzoeker.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en draagt op tot een nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41704 (beroep) en NL25.41705 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft onvoldoende uitgelegd waarom hij de identiteit van eiser ongeloofwaardig vindt en heeft het besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Ook heeft verweerder onvoldoende uitgelegd waarom hij de politieke problemen waar eiser over heeft verklaard niet geloofwaardig heeft gevonden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 14 augustus 2025 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 31 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening om niet te worden uitgezet zolang nog niet op het beroep is beslist.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Burundese nationaliteit en is geboren op [datum] 1990. Eiser legt het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag. Eiser heeft Burundi verlaten vanwege politieke problemen. Eiser was sinds 2012 politiek actief bij de politieke partij UPRONA [1] in Burundi. In 2014 werd eiser vanwege zijn verdiensten bij UPRONA benoemd in de nationale commissie voor onafhankelijke verkiezingen en vanuit die positie bekleedde hij de taak van president van de gemeentelijke verkiezingscommissie in Musaga. Toen eiser deze positie bekleedde stelde de president van de regerende politieke partij CNDD-FDD [2] zich verkiesbaar, waartegen protesten ontstonden. Na de verkiezingen op 29 juni 2015 is eiser vanuit zijn huis meegenomen door een commandant van het militaire kamp Muha. Hier ontmoette eiser de burgermeester van Bujumbara, [naam 1] , en een partijleider van de CNDD-FDD, [naam 2]. Eiser werd gedwongen om te helpen bij het vervalsen van de verkiezingsluitslag zodat de CNDD-FDD zou winnen. Een aantal maanden na de verkiezingen op 11 december 2015 pleegden militairen een massamoord op jongeren in Musaga. Eiser stelde vragen over deze massamoord aan [naam 1] . Hierdoor werd eiser aangemerkt als recalcitrant. Eiser werd sindsdien gezocht door de inlichtingendienst van Burundi, de SNR [3] . De SNR wilde eiser oppakken en vermoorden. Eiser is daarom in 2020 gevlucht naar Zuid-Afrika. Eiser is hier lid geworden van de CDP [4] en werd de leider van de Burundese diaspora in Zuid-Afrika. Dit kwamen de autoriteiten in Burundi te weten, waardoor eiser ook gevaar liep in Zuid-Afrika. In Zuid-Afrika zijn drie aanslagen op hem gepleegd door gangsters die zijn ingeschakeld door de SNR. Eiser is in 2024 teruggekeerd naar Burundi omdat het veilig zou zijn in Burundi onder de nieuwe president. Dit bleek niet het geval te zijn; eiser merkte dat hij nog steeds gezocht werd door de SNR. Eiser heeft daarom Burundi opnieuw verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
politieke problemen.
Verweerder vindt van het eerste asielmotief de identiteit van eiser niet geloofwaardig, de nationaliteit en herkomst wel. Verweerder vindt het tweede asielmotief niet geloofwaardig.
4.1.
Verweerder vindt de identiteit van eiser niet geloofwaardig omdat eiser zijn identiteit niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder a en b van de Vw. Eiser heeft namelijk geen oprechte inspanning geleverd om zijn originele paspoort en identiteitskaart te overleggen, terwijl verweerder mocht verwachten dat eiser deze inspanning wel levert. Eiser heeft immers verklaard dat hij een origineel paspoort en identiteitskaart in Zuid-Afrika heeft laten liggen en dat hij zal proberen om die alsnog te overleggen. Dit heeft hij echter niet gedaan. Eiser geen goede reden heeft gegeven om deze onderbouwende documenten niet mee te nemen.
4.2.
Verweerder vindt het tweede asielmotief niet geloofwaardig omdat eiser zijn politieke problemen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder a, b en c van de Vw. Eiser heeft geen oprechte inspanning geleverd om zijn relaas te onderbouwen. Daarvoor verwijst verweerder allereerst terug naar zijn motivering ten aanzien van eisers identiteit. Daarnaast heeft eiser verklaard foto’s van facebook te kunnen achterhalen die zien op zijn tijd bij UPRONA, maar heeft hij dit vervolgens niet gedaan. Verder heeft eiser alleen kopieën van documenten overgelegd die hier op zien. Eiser geeft hier geen goede reden voor. Verweerder vindt de verklaringen van eiser ook niet samenhangend en aannemelijk. Verweerder gelooft niet dat eiser een belangrijk persoon is geweest bij UPRONA. Eiser heeft geen moeite gedaan om Facebookfoto’s te overleggen waarvan hij zei dat hij deze had. De documenten die eiser heeft overgelegd om aan te tonen dat hij werkzaam was voor UPRONA zijn kopieën en niet vertaald. Bovendien tonen ze niet aan dat eiser een belangrijke rol had binnen UPRONA. Als eiser een prominent persoon was geweest voor UPRONA, had hij dit moeten kunnen onderbouwen met originele en authentieke documenten. Eiser heeft verder het verband tussen zijn relaas en de gedode jongeren niet inzichtelijk gemaakt. Ook vindt verweerder het niet aannemelijk dat eiser gedood zal worden. Zijn vrees is alleen gebaseerd op verklaringen van derden, de familie van eiser heeft geen problemen ondervonden, en eisers verhaal dat hij in 2024 een tijdje heeft kunnen terugkeren naar Burundi maar toch weer werd gezocht, is niet te volgen. Ook het verband tussen de gangsters en de Burundese autoriteiten is enkel op vermoedens gebaseerd. Verweerder volgt wel dat eiser lid is van de CDP, maar niet dat eiser daarvoor een belangrijke rol heeft gespeeld en om die reden te vrezen heeft vervolging of ernstige schade. Ook in eisers Tutsi afkomst ziet verweerder geen reden voor vervolging of ernstige schade.
4.3.
Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond, op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verweerder legt een terugkeerbesluit op, gericht op Burundi, en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Heeft verweerder de identiteit van eiser ongeloofwaardig kunnen vinden?
5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn identiteit niet geloofwaardig is. Zo neemt verweerder aan dat eiser lid is geweest van de CDP in Zuid-Afrika, waaruit blijkt dat verweerder in die context de identiteit van eiser wel gelooft. Eiser heeft veel andere documenten overgelegd waaruit zijn identiteit blijkt. Verweerder kent te veel gewicht toe aan het enkele feit dat eiser niet beschikt over een origineel paspoort of identiteitsbewijs. Bovendien is de aanvraag in de algemene procedure afgedaan, waardoor eiser onvoldoende tijd heeft gehad om wel aan deze documenten te komen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd op het punt van de geloofwaardigheid van de identiteit van eiser. Eiser heeft weliswaar geen authentieke identificerende documenten overgelegd, maar wel verschillende andere documenten die de door hem gestelde identiteit kunnen ondersteunen. Bovendien heeft hij bij de zienswijze aangegeven dat hij zijn paspoort kan laten opsturen, met het verzoek om de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure te behandelen zodat eiser hier meer tijd voor heeft. Verweerder is niet op dit verzoek ingegaan, ook niet in het bestreden besluit. Gelet op de wel overgelegde stukken en de korte tijd tussen het voornemen van 26 augustus 2025 en het bestreden besluit van 31 augustus 2025 is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid kon tegenwerpen dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder a, van de Vw. Dat eiser heeft verklaard dat hij makkelijk zijn paspoort naar Nederland zou kunnen laten sturen, maakt dit niet anders. Verweerder heeft verder tegengeworpen dat eiser geen goede reden heeft gegeven waarom hij zijn identificerende documenten niet heeft meegenomen. Hij heeft echter hierbij verzuimd om in te gaan op de verklaring van eiser dat hij met het paspoort van zijn broer is uitgereisd en zijn eigen paspoort daarom niet heeft meegenomen [5] . Ook is hij niet ingegaan op de verklaring bij zienswijze dat hij zijn paspoort niet mee heeft genomen omdat hij bang was om terug gestuurd te worden naar Burundi. Eisers uitreis uit Burundi, zijn opleiding en werkervaring, waar verweerder wel op in is gegaan, bieden hier ook geen antwoord op. Verweerder heeft gezien het voorgaande onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde onder artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw.
6.1.
De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren wegens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal in het kader van finale geschilbeslechting beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten kunnen worden. Hiertoe beoordeelt de rechtbank de laatste beroepsgrond.
Heeft verweerder de politieke problemen van eiser ongeloofwaardig kunnen vinden?
7. Eiser voert aan dat hij door de Burundese autoriteiten als opposant wordt gezien en daardoor gevaar loopt bij terugkeer naar Burundi. Hij wijst er daarbij onder andere op dat hij niet aangesteld had kunnen worden bij de verkiezingscommissie zonder zijn werk voor UPRONA. Zijn werk voor de verkiezingscommissie heeft eiser onderbouwd met een kopie van een ‘attestation des services rendus’, waarvan hij nu ook het origineel in zijn bezit heeft.
7.1.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij ervan uit is gegaan dat eiser vanwege zijn politieke activiteiten bij UPRONA is gevlucht uit Burundi en niet vanwege zijn activiteiten bij de verkiezingscommissie. Die twee omstandigheden moeten volgens verweerder los van elkaar worden gezien.
7.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij eisers verklaringen over zijn politieke problemen niet geloofwaardig vindt. Hierbij overweegt de rechtbank als volgt.
7.2.1
Ten eerste heeft verweerder een te beperkte uitleg gegeven van het asielrelaas van eiser. In het nader gehoor [6] heeft eiser uitgelegd dat hij in 2012 leider van de jeugdgroepen voor UPRONA is geworden. Omdat hij het zo goed deed is hij gepromoveerd naar de nationale verkiezingscommissie. Vanuit zijn positie bij de verkiezingscommissie is hij in contact gekomen met belangrijke personen binnen de regerende CNDD-FDD, die uiteindelijk de opdracht hebben gegeven om eiser op te pakken. Dat de activiteiten bij de verkiezingscommissie los moeten worden gezien van de reden voor vlucht uit Burundi volgt de rechtbank daarom niet. Verweerder heeft eisers verklaringen hierover op zichzelf ook niet tegenstrijdig, wisselend of inconsistent gevonden. Hij had er dus in het bestreden besluit op in moeten gaan. Volgens verweerder doet het verder afbreuk aan het gestelde vluchtgevaar dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de link is tussen de gedode jongeren en het risico dat eiser zelf loopt. Ook hiermee legt verweerder het relaas van eiser te beperkt uit. Eiser heeft verklaard dat hij hierover vragen heeft gesteld aan de autoriteiten en dat dit een reden is dat de autoriteiten hem uit de weg wilden ruimen. Deze verklaring heeft verweerder echter niet beoordeeld. Eiser heeft de moord op de jongeren verder onderbouwd met een artikel van Amnesty International van 29 januari 2016 over ‘11 december violence’ dat plaatsvond in ‘opposition neighbourhoods’ in Bujumbara, zoals de wijk Musuga waar eiser werkte tijdens de verkiezingen. Dat stuk kan dus naast het ondersteunen van eisers verklaring over de moorden ook inzicht geven in hoe de Burundese autoriteiten met opposanten omgaan. Door enkel te wijzen op het gebrek aan een link met gevaar dat eiser persoonlijk zou lopen, is verweerder hierop onvoldoende ingegaan.
7.2.2
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers gestelde belangrijke positie bij UPRONA onvoldoende heeft onderbouwd. De verklaring van eiser dat hij is gepromoveerd naar de verkiezingscommissie kan immers ook als indicatie worden gezien dat eiser een belangrijk persoon binnen UPRONA was. Eiser heeft immers verklaard dat hij vanuit UPRONA is gepromoveerd vanwege zijn werk voor de partij. Verweerder is hier niet op ingegaan in het bestreden besluit. Verweerder heeft ten aanzien van de ‘Attestation des services rendus’, die de positie bij de commissie onderbouwt, enkel aangegeven dat het een kopie betreft en in het Frans is opgesteld. Dat het document in het Frans is opgesteld is echter niet voldoende om de inhoud niet te kunnen beoordelen. Zoals eiser heeft aangegeven, en wat ter zitting ook door verweerder is bevestigd, kunnen volgens de website van de IND stukken ook in het Frans aangeleverd worden. De enkele reden dat het een kopie betreft is ook onvoldoende om daar verder niet op in te gaan. Verweerders standpunt in beroep dat ook met het origineel nog altijd niet de belangrijke positie binnen UPRONA duidelijk is gemaakt, kan gezien het voorgaande zonder nadere motivering geen standhouden.
7.3
De rechtbank is van oordeel dat met de geconstateerde gebreken de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen worden gelaten. De gebreken raken de basis van de geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank zou daarom de rechtsgevolgen niet in stand kunnen laten zonder daarmee in de kern van de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder te treden.

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:46 van Pro de Awb. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
9. Aangezien op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening daarom af. Verweerder moet wel de vergoeding van de proceskosten van verzoeker betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 31 augustus 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens,(voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Union pour le Progrès national.
2.Conseil National Pour la Défense de la Démocratie–Forces Pour la Défense de la Démocratie.
3.Service National de Renseignement.
4.Conseil des Patriotes.
5.Rapport Aanmeldgehoor 17 augustus 2025, pagina 4-5.
6.Rapport nader gehoor, 24 augustus 2025, pagina 6-7.