Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiser stelt dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2000. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij niet kan terugkeren naar Nigeria, omdat hij homoseksueel is en problemen heeft met meneer [A] (hierna [A] ). Eiser heeft verklaard dat hij op 25 februari 2023 met zijn partner [B] is betrapt en is meegenomen door de Vigilante. [A] , een bekende van eiser, heeft hem vervolgens vrijgekocht en geholpen om naar Europa te reizen met een paspoort en visum. In Europa heeft [A] eiser opgesloten, geslagen en gedwongen om seks te hebben met andere mannen. Eiser is op een gegeven moment ontsnapt en heeft asiel aangevraagd. Na zijn ontsnapping heeft eiser van zijn moeder gehoord dat zij is gebeld door [A] en dat hij tegen haar heeft gezegd dat hij eiser zal vermoorden of iets pijnlijks met hem zal doen als hij hem weer tegenkomt.
5. De minister heeft de aanvraag beoordeeld met inachtneming van Werkinstructie (WI) 2019/17 en 2024/6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
homoseksuele gerichtheid en daardoor ondervonden problemen;
problemen met [A] .
6. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De homoseksuele gerichtheid en de daardoor ondervonden problemen acht de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser voldoet dus niet aan de voorwaarde in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De minister betrekt hierbij onder andere dat eiser vaag heeft verklaard over zijn gevoelens voor zijn neefje [C] , en dat eiser vaag en summier heeft verklaard over de periode dat hij zich voordeed als heteroseksueel en over zijn relatie met en gevoelens voor [B] . Verder heeft eiser volgens de minister onder andere ongerijmd en vaag verklaard over de betrapping en de daaropvolgende mishandeling.
7. De minister acht de problemen van eiser met [A] wel geloofwaardig. Volgens de minister betekent dit echter niet dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Verder is het enkele feit dat eiser uit Nigeria komt, onvoldoende om aan te nemen dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
De geloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid en de daardoor ondervonden problemen
8. De rechtbank oordeelt dat de minister de homoseksuele gerichtheid en de daardoor ondervonden problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank zal dat hieronder toelichten en zal daarbij ingaan op de beroepsgronden van eiser.
Referentiekader
9. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Eiser is opgegroeid in een samenleving waarin homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd. Hij is niet gewend om over gevoelens, en al helemaal niet over homoseksuele gevoelens, te praten. Volgens de gemachtigde van eiser is het ook zo dat personen uit Afrikaanse landen en mannen in het algemeen het moeilijker vinden om over gevoelens te praten. De minister verwacht daarom ten onrechte van eiser dat hij (diepgaand) verklaart over zijn gevoelens. De minister betrekt daarbij ook ten onrechte dat eiser de middelbare school heeft afgerond. Het is immers de vraag wat die scholing inhield, en bovendien leer je op school niet hoe je moet praten over gevoelens.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat de minister heeft betrokken dat eiser – volgens zijn verklaringen – zich al vanaf zijn 8e jaar er bewust van is dat hij zich aangetrokken voelt tot jongens. Op zijn 16e of 17e jaar heeft hij zich gerealiseerd dat hij homoseksueel is. Vervolgens heeft hij hiernaar onderzoek gedaan. In Nigeria heeft eiser zich altijd voorgedaan als heteroseksueel. Hij moest zijn gevoelens lange tijd geheim houden, tot hij in 2022 [B] ontmoette, waarmee hij een relatie kreeg. Hij heeft zijn seksuele gerichtheid pas geaccepteerd toen hij - na de betrapping in februari 2023 - naar een medicijnman was gebracht. Verder stelt eiser dat hij, na zijn aanmelding op 4 oktober 2023, actief is bij verschillende LHBTI-organisaties in Nederland. Hij gaat geregeld naar evenementen en bijeenkomsten en voert daar vaker gesprekken over zijn seksuele gerichtheid. Eiser heeft ook verklaard dat hij zich vrij voelt als homoseksueel in Nederland en heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij het prima vond om hierover te praten met de hoormedewerker (p. 5). De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat de minister onder andere van eiser mocht verwachten dat hij concreet en authentiek verklaart over de gevoelens voor mannen die hij stelt te hebben, en dat hij concreet inzicht geeft in zijn gevoelens en gedachten in de periode dat hij zich moest voordoen als heteroseksueel.
Dat van eiser mag worden verwacht dat hij inzicht biedt in zijn belevingswereld, volgt ook uit de WI 2019/17. Daarin is uiteengezet dat in zaken over seksuele gerichtheid het zwaartepunt in de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen.
11. Uit WI 2019/17 blijkt ook dat de minister rekening houdt met de culturele achtergrond van de vreemdeling. Die culturele achtergrond neemt echter niet weg dat de minister van eiser mag verwachten dat hij uitlegt waarom hij asiel vraagt, en dus inzicht biedt in zijn homoseksuele gerichtheid en de beleving daarvan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hier vanwege zijn (culturele) achtergrond of anderszins niet toe in staat is. In dit verband wijst de rechtbank ook op het verslag van het nader gehoor waaruit blijkt dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om inzicht te bieden in zijn gedachten en gevoelens. Dit blijkt bijvoorbeeld uit p. 17-19, waar de hoormedewerker heeft doorgevraagd over de gevoelens van eiser voor [B] . De beroepsgrond slaagt niet.
Gevoelens voor [C]
12. Eiser voert aan dat hij niet vaag heeft verklaard over de gevoelens voor [C] . Eiser wijst daarbij op zijn verklaringen in het nader gehoor (p. 5 en 10), onder andere over dat hij seksuele gevoelens kreeg als zij gingen slapen, dat hij hem leuk vond en dat hij altijd bij hem wilde zijn. Volgens eiser verwacht de minister ten onrechte van hem dat hij uitgebreider over zijn gevoelens verklaart. Eiser was immers nog maar 8 jaar, en hij besefte pas op 17-jarige leeftijd dat hij homoseksueel was. Dat eiser zelf de vergelijking trekt met de gevoelens die hij later voor [B] heeft gevoeld (p. 13), betekent niet dat hij meer kan verklaren, aldus eiser.
13. De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel kan worden gevolgd dat het gaat om een ervaring op 8-jarige leeftijd - en dat eiser dus minder inzicht kan bieden in zijn gedachten en gevoelens van destijds - neemt dit niet weg dat van eiser mag worden verwacht dat hij deze gevoelens vanwege de ontwikkeling die hij zou hebben doorgemaakt, later alsnog kon duiden en concretiseren. De rechtbank kan daarom het standpunt van de minister volgen dat eiser vaag heeft verklaard over de gevoelens voor [C] . De beroepsgrond slaagt niet.
14. Eiser voert aan dat hij heeft verklaard dat hij het moeilijk vond om te moeten doen alsof hij heteroseksueel was, en dat hij in die periode niet kon zijn wie hij daadwerkelijk was. Hij deed zich bij anderen voor als hetero, door te zeggen dat hij op meisjes viel. Deze verklaringen zijn weliswaar kort, maar zien wel op de kern van het verhaal.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft over het pretenderen tijdens zijn middelbare school tijd verklaard dat dit moeilijk was. In het nader gehoor (p. 13) is aan eiser gevraagd om dit toe te lichten. Eiser verklaart dan: “Dan was ik niet wie ik was. Het was de gemeenschap die mij aan het pushen was om te zijn wie ik niet was. Het was heel moeilijk. Ik moest toen aanpassen. Daarom ging ik doen alsof het normaal was. Terwijl ik niet zo was.” Verder is gevraagd: “Wat deed u nog meer om te doen alsof?” Eiser antwoordt dan: “Ik heb niks anders gedaan. Ik heb niks anders gedaan, het enige wat ik heb gedaan was dat ik alsof op meisjes viel. Dat was het enige wat ik heb gedaan. Dus ik heb niks anders gedaan, alleen maar dat.” De rechtbank kan de minister volgen dat deze verklaringen vaag en summier zijn, omdat eiser hiermee geen inzicht biedt in hoe hij het pretenderen innerlijk heeft ervaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Gevoelens voor jongens op de middelbare school
16. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat hij vaag verklaart over zijn gevoelens voor andere jongens op de middelbare school. Tijdens het nader gehoor is namelijk niet gevraagd of hij jongens op zijn middelbare school leuk vond.
17. De rechtbank merkt op dat aan eiser is tegengeworpen dat hij vaag verklaart over zijn gevoelens voor jongens op de middelbare school “dan wel in het algemeen”. Uit het nader gehoor (p. 13) blijkt dat in ieder geval in algemene zin wel is gevraagd naar de gevoelens van eiser. De rechtbank kan de minister volgen dat de verklaringen van eiser over zijn gevoelens - onder andere zich “aangetrokken voelen”, “een soort aandrang” voelen en jongens “leuk vinden” - vaag zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Moment realisatie en het daaropvolgende onderzoek
18. Eiser voert aan dat hij over de realisatie van zijn homoseksualiteit heeft verklaard over een triest gevoel en dat hij bang is om hetzelfde – in elkaar geslagen worden - ooit nog mee te maken. Uit de herhaling van zijn verklaringen blijkt dat hij niet goed kan beschrijven wat hij denkt en voelt. Verder heeft hij verklaard dat hij onderzoek heeft gedaan naar het woord homoseksueel, en er zo achter kwam wie hij was en dat het verboden was in zijn land, wat voldoende duidelijk is.
19. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft in het nader gehoor over het onderzoek dat hij heeft gedaan, verklaard dat hij op zijn telefoon informatie heeft opgezocht over homoseksualiteit. Verder heeft eiser verklaard over dat hij zich triest voelde, dat hij ontdekte hoe gevaarlijk het is om homoseksueel te zijn in Nigeria, dat hij zich kwam te realiseren wie hij is en dat hij zijn homoseksualiteit niet mag uiten (p. 15 en 16). De rechtbank kan de minister volgen dat eiser hiermee onvoldoende inzicht geeft in het onderzoek dat hij heeft verricht en in hoe hij dit persoonlijk heeft beleefd. Gelet op het referentiekader van eiser mag dit wel van hem worden verwacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Relatie met en gevoelens voor [B]
20. Eiser voert aan dat hij wel degelijk duidelijk heeft uitgelegd hoe de relatie met [B] is ontstaan. Volgens eiser heeft hij ook op p. 17 van het nader gehoor uitgelegd dat het lang duurde voordat hij zich realiseerde dat het geen valstrik was. De minister werpt ook ten onrechte tegen dat zijn verklaringen niet zijn voorbehouden aan een homoseksuele (liefdes)relatie. Verder blijkt volgens eiser uit zijn verklaringen dat hij zijn gevoelens simpel benadert en moeite heeft zijn gevoelens op andere wijze onder woorden te brengen.
21. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser vaag en summier heeft verklaard over het ontstaan van zijn relatie met [B] en over de (liefdes)relatie. Dat eiser in zijn algemeenheid kan vertellen over hun ontmoeting, en over hoe lang het duurde voor zij gevoelens kregen, is onvoldoende. Onder andere is terecht tegengeworpen dat eiser niet heeft geconcretiseerd hoe de eerste kennismaking uiteindelijk is uitgemond in een (liefdes)relatie. Eiser heeft verklaard dat zij in het begin gewoon uit gingen, en dat zij na een paar maanden gevoelens kregen. Eiser heeft ook verklaard dat hij niet vanwege hun communicatie gevoelens kreeg, maar dat het voor hem meer ging om de dingen die zij samen deden, bijvoorbeeld uitgaan (p. 17 en 18). De minister mocht van belang vinden dat die activiteiten echter niet voorbehouden waren aan een homoseksuele (liefdes)relatie. Als wordt gevraagd op welke manier [B] als meer dan een vriend aanvoelde, verwijst eiser naar het moment dat [B] hem in de wc van het restaurant (seksueel) benaderde (p. 19). Daarmee maakt eiser niet duidelijk hoe de gevoelens tussen hen zijn gegroeid. Verder blijkt uit de verklaring waar eiser naar verwijst niet dat hij ook tijdens het uitgaan dacht dat sprake was van een valstrik. Eiser heeft namelijk verklaard: “(…). In het begin was ik bang, want ik dacht dat dat misschien een valstrik was. Later kwam ik te realiseren dat hij niet nep was en dat hij oprecht was en dat hij ook homoseksueel was. Hij vond mij leuk en ik vond hem ook leuk. We begonnen uit te gaan. (…)”.
De rechtbank kan ook volgen dat eiser vaag en summier heeft verklaard over zijn gevoelens voor [B] . Eiser heeft verklaard dat [B] een blij iemand, eerlijk en grappig was, dat het fijn was om bij hem te zijn en dat er een goed gevoel, een gevoel van lol en een gevoel van veiligheid was. Deze verklaringen geven onvoldoende inzicht in waarom eiser juist voor [B] gevoelens zou hebben gekregen. Dat enkele stelling van eiser zijn gevoelens simpel benadert en moeite heeft zijn gevoelens onder woorden te brengen, is onvoldoende. Dat neemt immers niet weg dat eiser uitgebreider en/of concreter had kunnen verklaren over de eigenschappen van [B] die hem aanspraken. De beroepsgrond slaagt niet.
Emoties met betrekking tot moeder
22. Eiser voert aan dat het gegeven dat hij inzicht heeft gegeven in zijn emoties met betrekking tot zijn moeder (die zijn gerichtheid niet accepteert) de aannemelijkheid van zijn gerichtheid versterkt.
23. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De minister erkent dat eiser in het nader gehoor enig inzicht heeft verschaft in de gevoelens die hij zou hebben gehad ten aanzien van zijn moeder nadat zij onenigheid kreeg met zijn tante en zij niet meer met elkaar spraken (p. 11 en 12) naar aanleiding van een incident met [C] . Eiser verklaart echter dat zijn moeder bij deze situatie nog niet dacht dat hij homoseksueel was. Zij kwam hier pas achter toen de Vigilante haar had gebeld na de betrapping met [B] (p. 12). Vervolgens heeft de moeder van eiser zijn homoseksuele gerichtheid niet geaccepteerd. Over de verklaringen van eiser over zijn gevoelens heeft de minister onder andere opgemerkt dat eiser blijft steken in het benoemen van twee emoties: “triest” en “achtergelaten”. De rechtbank kan volgen dat de verklaringen van eiser op dit punt niet zodanig authentiek en diepgaand zijn dat zijn seksuele gerichtheid geloofwaardig kan worden geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Ervaringen als homoseksueel in Nederland
24. Eiser voert aan dat het bezoeken van activiteiten van LHBTI-organisaties in zijn voordeel moet meewegen. Verder laat eiser met zijn verklaring dat hij zich geaccepteerd en vrij voelt, zien dat hij in essentie begrijpt hoe in Nederland tegen zijn seksuele gerichtheid wordt aangekeken, en wat in Nigeria niet aan de orde is.
25. De rechtbank overweegt als volgt. De minister mocht eiser tegenwerpen dat hij met zijn verklaringen dat hij zich geaccepteerd en vrij voelt, onvoldoende inzicht geeft in zijn persoonlijke belevingswereld. Ook blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij het belangrijk vindt om naar activiteiten te gaan. Eiser verklaart immers: “(…). Ik vind het niet belangrijk. Ik wil het wel doen. Want als ik op de kamp ben, dan voel ik mij eenzaam. Er is vaak niks te doen. Ik doe mijn best om te gaan, zodat ik mij niet depressief ga voelen. (…)” (nader gehoor, p. 20) Gelet op deze verklaring volgt de rechtbank niet dat de deelname van eiser aan deze activiteiten in zijn voordeel moet meewegen. De beroepsgrond slaagt niet.
Betrapping en daaropvolgende mishandeling
26. Eiser voert aan dat het risico vergeten kan worden in een moment van onachtzaamheid of als het gevoel van opwinding te sterk is. De minister is hier onvoldoende op ingegaan, en werpt dus ten onrechte tegen dat hij seksuele handelingen verrichtte in de buurt van een raam. Verder heeft eiser verklaard dat hij wegrende, achterna werd gezeten, gepakt en geslagen door vijf man totdat de Vigilante hem redde (nader gehoor, p. 7 en 21). Dit is door de minister ten onrechte te vaag bevonden.
27. De rechtbank overweegt als volgt. In het bestreden besluit is terecht opgemerkt dat eiser in de zienswijze stelt dat hij er vanuit kon gaan dat hij niet bespied werd, omdat hij in zijn eigen huis was, maar dat dit niet wordt gevolgd omdat eiser heeft verklaard dat de afspraak bij [B] was gepland en dat hij ’s middags bij [B] was gekomen (nader gehoor, p. 7). Hiermee is voldoende ingegaan op het betoog van eiser. De minister mocht het ongerijmd vinden dat eiser het risico nam om betrapt te worden door bij het raam seksuele handelingen te verrichten. Verder is in het bestreden besluit terecht gewezen op de vragen die in het nader gehoor zijn gesteld aan eiser over onder andere de vijf mensen die eiser zouden hebben geslagen en de personen van de Vigilante (p. 21). Eiser heeft slechts verklaard dat het volwassen mannen waren, en dat de personen van de Vigilante een uniform aanhadden. De minister mocht dat onvoldoende concreet vinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Datum visumaanvraag
28. Eiser voert aan dat – hoewel hij dit niet uitdrukkelijk heeft verklaard – uit de verschillende verklaringen tezamen kan worden aangenomen dat [A] heeft betaald voor zijn vrijlating en dat [A] al eerder het plan had om een mensenhandel delict te plegen jegens eiser en daarom al eerder een visum had aangevraagd voor eiser.
29. De rechtbank overweegt als volgt. In het voornemen is aan eiser tegengeworpen dat hij heeft verklaard dat hij door [A] is vrijgekocht van de Vigilante en dat [A] alles voor hem heeft geregeld zelfs het visum (nader gehoor, p. 8) en het paspoort (aanmeldgehoor, p. 7) waarmee hij kon uitreizen, maar dat uit onderzoek in EU-VIS blijkt dat het visum al op 7 januari 2023 door eiser is aangevraagd op basis van een paspoort dat al op 12 november 2022 is uitgegeven. Niet valt in te zien dat het paspoort en visum al vóór het incident op 25 februari 2023 met de Vigilante door [A] is geregeld. Eerst in de zienswijze schrijft eiser dat sprake was van een vooropgezet plan van [A] . De minister heeft eiser terecht tegengeworpen dat hij dit niet eerder heeft verklaard, en dat dit standpunt enkel is gebaseerd op (niet geconcretiseerde) vermoedens. De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaringen dat eiser wordt gezocht naar aanleiding van zijn problemen
30. Eiser voert aan dat uit zijn verklaringen duidelijk blijkt dat hij wordt gezocht.
31. De rechtbank volgt eiser hierin niet. In het bestreden besluit heeft de minister opgemerkt dat eiser in het nader gehoor heeft verklaard dat de autoriteiten niet naar hem op zoek zijn (p. 25). Verder is opgemerkt dat eiser vervolgens verklaart dat de autoriteiten onderzoek naar hem gingen doen en dat zij hem niet konden vinden omdat hij toen al was vertrokken. Eiser vraagt vervolgens: “(…). Telt dat ook? Dat ik word gezocht door de autoriteiten? (…)”. Uit deze verklaring heeft de minister niet hoeven concluderen dat eiser door de autoriteiten wordt gezocht. Bovendien heeft de minister terecht opgemerkt dat eiser ook heeft verklaard dat hij wordt gezocht door de Vigilante (p. 4), en dus wisselend heeft verklaard over door wíe hij wordt gezocht. De beroepsgrond slaagt niet.
De zwaarwegendheidsbeoordeling en de problemen met [A]
32. Eiser voert aan dat uit zijn verklaringen duidelijk blijkt dat hij vreest voor [A] . Eiser kan echter niet in de toekomst kijken, en weet daarom niet zeker of er daadwerkelijk iets zal gebeuren. Verder heeft eiser feitelijk gezien een lopende geldschuld bij [A] , omdat die 2 miljoen Nira heeft betaald voor eisers vrijlating (nader gehoor p. 21), en ook de documenten en de reis heeft betaald. Eiser meent dat er indicaties zijn dat [A] van plan is om de schuld te innen.
33. De rechtbank overweegt als volgt. De minister mocht bij de beoordeling van het risico bij terugkeer van belang vinden dat eiser wisselend heeft verklaard over het hebben van een geldschuld bij [A] en dat hij, afgezien van de telefonische dreiging via zijn moeder, geen problemen meer heeft ondervonden van [A] . Bovendien mocht de minister tegenwerpen dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich, gelet op zijn referentiekader, eventueel samen met zijn moeder elders in [plaats] vestigt. Eiser heeft immers de middelbare school afgerond, heeft werkervaring en hij spreekt meerdere talen die op meerdere plekken in [plaats] gebruikelijk zijn. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat, gelet op het grote aantal inwoners, niet valt in te zien dat [A] eiser dan nog zal kunnen vinden. De beroepsgrond slaagt niet.