ECLI:NL:RBDHA:2025:27175

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
NL25.54512 en NL25.54513
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000Art. 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000Art. 30b, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw 2000Art. 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw 2000Art. 31, eerste lid van de Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en veiligheidsproblemen aan grens India-Pakistan

Eiser, een Indiase nationaliteit, diende op 14 oktober 2025 een asielaanvraag in die op 31 oktober 2025 door verweerder werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 december 2025.

Verweerder achtte de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar vond diens identiteit ongeloofwaardig vanwege het ontbreken van voldoende documenten en tegenstrijdige verklaringen over paspoorten. Ook achtte verweerder de gestelde problemen aan de grens met Pakistan niet aannemelijk. Eiser had zijn paspoort mogelijk te kwader trouw vernietigd of achtergelaten en had niet onmiddellijk asiel aangevraagd toen dat mogelijk was.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de identiteit en de veiligheidsproblemen ongeloofwaardig heeft gevonden en dat er geen gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade bij terugkeer bestaat. Het negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken werd niet als relevant beschouwd voor de asielbeoordeling.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag af wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende aannemelijkheid van veiligheidsproblemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54512 (beroep) en NL25.54513 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Kesbergen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 14 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 31 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk was aanwezig V. Sharma.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Indiase nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Hij heeft – kort samengevat – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft ondervonden vanwege de veiligheidssituatie aan de grens met Pakistan. In 2019 is eiser twee keer aangesproken door gewapende Pakistanen die vroegen of hij moslim of hindoe was. Ook heeft eiser problemen met de politiek in India. Bij terugkeer vreest eiser voor Pakistaanse terroristen.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
problemen vanwege de veiligheidssituatie aan de grens met Pakistan.
3.1.
Verweerder vindt eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eiser heeft volgens verweerder onvoldoende documenten overgelegd en hij heeft daar geen goede verklaring voor. [2] Ook vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. [3] Eisers gestelde problemen vanwege de veiligheidssituatie aan de grens met Pakistan vindt verweerder ook niet geloofwaardig. Zijn verklaringen over dit asielmotief vormen volgens verweerder evenmin een samenhangend en aannemelijk geheel. [4] Verder heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en hij heeft daar geen goede verklaring voor. [5] Daarnaast vindt verweerder dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd [6] omdat hij zijn paspoort, waarschijnlijk te kwader trouw, heeft weggemaakt, hij twee jaar in Portugal heeft verbleven zonder daar asiel aan te vragen, en hij, anders dan hij zelf stelt, in Italië geen werkvisum had. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een gegronde vrees voor vervolging heeft [7] of een reëel risico op ernstige schade loopt [8] bij terugkeer naar India. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt [9] en omdat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was [10] .
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert het volgende aan. Eisers identiteit is geloofwaardig en de kopie van zijn paspoort is ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling. Ook stelt verweerder ten onrechte dat eiser zich te kwader trouw heeft ontdaan van zijn paspoort nu eiser hiervoor een verschoonbare reden heeft. Eiser heeft bovendien niet tegenstrijdig verklaard over of hij wel of geen contact met iemand heeft gehad over zijn paspoort. Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte het reisadvies voor India van het Ministerie van Buitenlandse Zaken [11] niet heeft betrokken bij de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Kashmir een reëel risico loopt op ernstige schade.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser mocht afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Mocht verweerder de identiteit van eiser ongeloofwaardig vinden?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers identiteit niet geloofwaardig is. Daarbij heeft verweerder in de eerste plaats van belang mogen vinden dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn identiteit te onderbouwen en dat hij hier geen goede reden voor heeft. De door eiser overgelegde kopie van een paspoort heeft verweerder hierbij onvoldoende mogen vinden, nu eiser wisselend heeft verklaard over het bestaan van twee paspoorten en over de vraag waar deze zich nu bevinden. Eiser heeft hier geen opheldering over kunnen geven. Verder heeft verweerder mogen meewegen dat eiser heeft verklaard dat hij met een paspoort naar Nederland is gereisd, maar dit document vervolgens zelf heeft achtergelaten bij een vriend in Amsterdam. [12] Dat eiser aanvoert dat hij het paspoort per ongeluk bij iemand heeft achtergelaten, geprobeerd heeft te informeren of zijn paspoort daar nog was maar dat dit vanwege zijn inbewaringstelling niet is gelukt, maakt het oordeel niet anders. Gelet op het belang dat aan identiteitsdocumenten in de asielprocedure wordt gehecht, heeft verweerder van eiser mogen verwachten dat hij meer inspanningen zou hebben verricht om aan zijn paspoort te komen of, indien dit niet mogelijk was, aangifte te doen van vermissing. Dat eiser in bewaring zit, doet daaraan niet af, nu hij dit bijvoorbeeld ook via zijn gemachtigde had kunnen regelen.
Mocht verweerder de problemen vanwege de veiligheidssituatie aan de grens met Pakistan ongeloofwaardig vinden?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers gestelde problemen vanwege de veiligheidssituatie aan de grens met Pakistan niet geloofwaardig heeft mogen vinden. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over of hij problemen heeft ondervonden, dat de overgelegde informatie over Kashmir niet relevant is omdat hij daar niet vandaan komt, en dat hij enkel asiel heeft aangevraagd om zijn uitzetting te voorkomen. Eiser heeft deze tegenwerpingen niet of onvoldoende betwist. De enkele stelling van eiser ter zitting dat hij afkomstig is uit een oorlogsgebied en dat daar sprake is van een 15c-situatie is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
8. Zoals overwogen in rechtsoverwegingen 6 en 7 heeft verweerder eisers identiteit en de problemen vanwege de veiligheidssituatie aan de grens met Pakistan ongeloofwaardig mogen vinden. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade [13] vanwege zijn identiteit en de gestelde problemen. De gronden van eiser die zien op deze asielmotieven slagen daarom al niet.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer ook geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade, vanwege zijn nationaliteit of herkomst. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder het negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor India had moeten betrekken bij de beoordeling, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Reisadviezen worden opgesteld in het kader van consulaire hulpverlening en advies aan Nederlandse toeristen en niet voor de beoordeling van asielaanvragen. Bovendien betekent de enkele omstandigheid dat er een negatief reisadvies geldt, niet zonder meer dat er sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [14] of artikel 4 van Pro het Handvest [15] .
Mocht verweerder de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de asielaanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond [16] . Zoals onder rechtsoverweging 6 overwogen, heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en geen verschoonbare reden heeft voor het ontbreken van zijn paspoort. Verder heeft verweerder eiser tegengeworpen dat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser heeft dit niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond dan ook voldoende heeft onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en h, van de Vw 2000.
2.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
3.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
4.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
5.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
6.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
7.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
8.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
9.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
10.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.
11.Ministerie van Buitenlandse Zaken, reisadvies India, https://www.nederlandwereldwijd.nl/reisadvies/india.
12.Verslag van het aanmeldgehoor van 25 oktober 2025, p. 4.
13.Als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000.
14.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
15.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
16.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en h, van de Vw 2000.