ECLI:NL:RBDHA:2025:27114

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
692242 KG ZA 25-960
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.86 Aw 2012Art. 2.87 Aw 2012Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot uitsluiting inschrijver wegens vermeende ernstige beroepsfouten bij aanbesteding vervoer stoffelijke overschotten

De Politie organiseerde in 2017 en 2025 Europese openbare aanbestedingen voor het vervoer van stoffelijke overschotten, waarbij verschillende percelen werden gegund op basis van EMVI of laagste prijs. Eiseres en tussenkomende partij namen deel aan deze procedures, waarbij tussenkomende partij de opdracht voor bepaalde percelen kreeg gegund.

Eiseres stelde dat tussenkomende partij ernstige beroepsfouten had begaan bij de uitvoering van de huidige vervoersopdracht, waaronder het inzetten van een niet-gemelde onderaannemer zonder ondertekend UEA en het vervoeren van stoffelijke overschotten naar onjuiste locaties. Eiseres vorderde daarom onder meer de uitsluiting van tussenkomende partij van de aanbestedingsprocedure en gunning aan haarzelf.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat tussenkomende partij ernstige beroepsfouten had begaan die uitsluiting rechtvaardigen. De Politie had onderzoek gedaan en geen ernstige fouten vastgesteld. Het ontbreken van een ondertekend UEA van de onderaannemer en enkele betwiste incidenten waren onvoldoende voor uitsluiting, mede gelet op het transparantiebeginsel en het ontbreken van concrete aanwijzingen.

De rechtbank wees de vorderingen van eiseres af, oordeelde dat er geen sprake was van een valse verklaring door tussenkomende partij en dat geen heraanbesteding nodig was. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van de Politie en tussenkomende partij. Het vonnis werd gewezen door mr. P. Dondorp op 5 december 2025.

Uitkomst: De vorderingen van eiseres tot uitsluiting van tussenkomende partij en heraanbesteding worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van ernstige beroepsfouten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/692242 / KG ZA 25-960
Vonnis in kort geding van 5 december 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
advocaten mrs. H.F. Mauer en H.R. Verschuur te Nijmegen,
tegen:
de publiekrechtelijke rechtspersoon met wettelijke taak
DE POLITIEte Den Haag,
gedaagde,
advocaten mrs. V. Jasarevic en S. Schut te Arnhem,
waarin is tussengekomen:
[bedrijfsnaam 1] B.V., h.o.d.n. [tussenkomende partij] ,te [vestigingsplaats 2] ,
advocaat mr. A.L. Appelman te Zwolle.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’, ‘de Politie’ en ‘ [tussenkomende partij] ’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 september 2025, met producties 1 tot en met 15;
- de incidentele conclusie van [tussenkomende partij] tot primair tussenkomst en subsidiair voeging,
- de schriftelijke reactie van de Politie, met producties A tot en met I;
- de op 18 november 2025 door [eiseres] overgelegde productie 16;
- de op 19 november 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op uiterlijk 10 december 2025.

2.Het incident tot tussenkomst/voeging

2.1.
[tussenkomende partij] heeft primair gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [eiseres] en de Politie dan wel subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van de Politie. Ter zitting hebben [eiseres] en de Politie verklaard geen bezwaar te hebben tegen de primair gevorderde tussenkomst. [tussenkomende partij] is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
De Politie heeft in 2017 de Europese openbare aanbestedingsprocedure ‘Vervoer Stoffelijke Overschotten’ georganiseerd. Deze opdracht bestaat uit het leveren van meldkamerdiensten (Perceel 1) en het op instructie van de Meldkamer leveren van al dan niet geconditioneerde vervoersdiensten (afhankelijk van de vraag of sprake is van natuurlijk of een niet-natuurlijk overlijden) ten behoeve van een aantal geografische percelen (Perceel 2 tot en met 23). Op de aanbesteding zijn de Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van diensten 2016 (ARVODI 2016) van toepassing verklaard.
3.2.
Uit hoofdstuk 3 van de Inschrijvingsleidraad 2017 volgt dat voor wat betreft Perceel 1 het gunningscriterium de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding was. De Percelen 2 tot en met 23 werden gegund aan de inschrijver die de inschrijving met de laagste prijs had ingediend.
3.3.
Hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad 2017 bevat de eisen die de Politie aan de opdracht stelt. In paragraaf 2.1 van de Inschrijvingsleidraad 2017 is een aantal algemene eisen (AE) opgenomen, die voor alle Percelen gelden. Voor deze procedure zijn de algemene eisen E-AE-10 tot en met E-AE-12 relevant. Deze luiden als volgt:
3.4.
In paragraaf 4 van de Inschrijvingsleidraad 2017 zijn de voor alle Percelen geldende uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen opgenomen. In de aanhef is onderstaand overzicht opgenomen van de in het kader van de uitsluitingsgronden aan te leveren bewijsstukken:
3.5.
In paragraaf 4.2.1 van de Inschrijvingsleidraad 2017 valt te lezen dat als verklaring dat geen van de uitsluitingsgronden van artikel 2.86 en 2.87 van de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) van toepassing is, het als Formulier B bij de Inschrijvingsleidraad 2017 gevoegde Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) wordt gebruikt. Daarbij is vermeld dat bij de inschakeling van een onderaannemer, de inschrijver een door die onderaannemer ingevuld en ondertekend UEA moet indienen.
3.6.
In paragraaf 5.5 van de Inschrijvingsleidraad is over onderaanneming het volgende bepaald:
3.7.
De meldkamerdiensten zijn in 2017 gegund aan [bedrijfsnaam 2] B.V. [tussenkomende partij] heeft de opdracht voor wat betreft Perceel 7 (Noord- en Oost Gelderland) en Perceel 8 (Gelderland Midden) gegund gekregen. Voor deze percelen heeft de Politie met [tussenkomende partij] een raamovereenkomst gesloten (hierna: ‘de huidige vervoersopdracht’).
3.8.
[eiseres] heeft op 22 september 2020 een klacht over [tussenkomende partij] ingediend bij de Politie. Het Klachtenmeldpunt Inkoop van de Politie (hierna: ‘het Klachtenmeldpunt’) heeft deze klacht op 8 oktober 2020 ongegrond verklaard. In deze brief heeft het Klachtenmeldpunt per aspect van de klacht het volgende overwogen:
3.9.
[eiseres] heeft op 22 februari 2021 een klacht ingediend bij de Commissie van Aanbestedingsexperts. De Commissie van Aanbestedingsexperts heeft die klacht bij advies van 9 juni 2021 ongegrond verklaard. In het dit advies valt – voor zover thans belang – het volgende te lezen:
3.10.
De Politie heeft in 2025 wederom een Europese openbare aanbestedingsprocedure ‘Vervoer Stoffelijke Overschotten’ georganiseerd. Op de aanbesteding zijn de Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van diensten 2025 (ARVODI 2025) van toepassing verklaard. De opdracht is blijkens paragraaf 1.2 van de Inschrijvingsleidraad 2025 opgedeeld in 22 geografische percelen. De opdracht wordt per perceel gegund volgens het gunningscriterium EMVI op basis van de laagste prijs.
3.11.
In paragraaf 3.2 van de Inschrijvingsleidraad 2025 is bepaald dat een inschrijver bij de toepasselijkheid van uitsluitingsgronden van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure wordt uitgesloten, tenzij naar het oordeel van de Politie sprake is van ‘self-cleaning maatregelen’ die een uitsluiting niet rechtvaardigen of naar het oordeel van de Politie de uitkomsten van een door de Politie uitgevoerde evenredigheidstoets een uitsluiting niet rechtvaardigen. In paragraaf 3.2.1 van de Inschrijvingsleidraad 2025 valt te lezen dat een inschrijver door het bij inschrijving indienen van het in paragraaf 3.1 voorgeschreven UEA onder meer verklaart dat de uitsluitingsgronden van de artikelen 2.86 en 2.87 Aw 2012 niet van toepassing zijn.
3.12.
Als bijlage 4 is bij de Inschrijvingsleidraad 2025 gevoegd de Begrippenlijst ARVODI. In deze begrippenlijst is de term ‘ernstige beroepsfout’ als volgt gedefinieerd:
“Een Uitsluitingsgrond die van toepassing is in geval van een fout in de uitoefening van het beroep, in ieder geval doch niet uitsluitend, overtredingen op het gebied van milieuwetgeving, gedragingen in strijd met voor het beroep of bedrijf relevante wet- en regelgeving, het mededingingsrecht, tuchtregels, toezichtregels en gedragsregels.”
3.13.
[eiseres] heeft ingeschreven op Perceel 6 (Noord- en Oost Gelderland), Perceel 7 (Gelderland Midden) en Perceel 8 (Gelderland Zuid). [tussenkomende partij] heeft ingeschreven op Perceel 5 (Twente) en op de Percelen 6 en 7. Bij voorlopige gunningsbeslissingen van 10 september 2025 heeft de Politie aan [eiseres] bericht dat haar inschrijvingen op een tweede plaats zijn geëindigd en dat zij voornemens is de opdracht voor wat betreft de Percelen 6, 7 en 8 te gunnen aan [tussenkomende partij] . Op 6 oktober 2025 heeft de Politie een herziene voorlopige gunningsbeslissing ten aanzien van Perceel 8 genomen. Hierin valt te lezen dat in de eerdere voorlopige gunningsbeslissing niet de juiste winnaar is vermeld en dat de Politie voornemens is om Perceel 8 te gunnen aan [bedrijfsnaam 3] B.V. (in plaats van [tussenkomende partij] ).

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter de Politie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
gebiedt de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken;
verbiedt de opdracht aan [tussenkomende partij] te gunnen;
gebiedt de opdracht aan de nummer twee (i.e. [eiseres] ) te gunnen indien de Politie nog wenst te gunnen;
gebiedt [tussenkomende partij] uit te sluiten van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure;
subsidiair
gebiedt de aanbestedingsprocedure in te trekken en
verbiedt de opdracht definitief te gunnen, anders dan na een heraanbesteding en
gebiedt [tussenkomende partij] uit te sluiten van verdere deelname aan de eventuele heraanbesteding;
primair en subsidiair: de Politie veroordeelt in de kosten van dit geding.
4.2.
[eiseres] voert daartoe (samengevat) aan dat [tussenkomende partij] als inschrijver moet worden uitgesloten omdat zij bij de uitvoering van de huidige vervoersopdracht in de afgelopen jaren ernstige beroepsfouten heeft begaan en – met het UEA waarin zij verklaart dat geen uitsluitingsgronden van toepassing zijn – een valse verklaring heeft gedaan. De opdracht voor de Percelen 6 en 7 moet dan alsnog aan [eiseres] gegund worden, die immers als tweede uit de aanbestedingsprocedure naar voren kwam. Als dat niet wordt toegewezen moet de opdracht opnieuw worden aanbesteed, waarbij [tussenkomende partij] niet mag inschrijven.
4.3.
De ernstige beroepsfouten die [tussenkomende partij] volgens [eiseres] maakte zijn: het inzetten van een onderaannemer die niet bij de inschrijving in de aanbestedingsprocedure voor de huidige vervoersopdracht is genoemd en van wie geen ondertekend UEA is ingediend, zodat de Politie niet beschikt over VOG’s en geheimhoudingsverklaringen van de betrokken medewerkers die het vervoer verzorgen. [tussenkomende partij] zou ook stoffelijke overschotten hebben laten vervoeren naar andere locaties dan die waarvoor opdracht was gegeven.
4.4.
De Politie voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .
4.5.
Ook [tussenkomende partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] . Zij voert daartoe aan dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar wordt gegund en heeft – voor zover het indienen van een vordering is vereist – een daartoe strekkende vordering ingediend.
4.6.
Bij de beoordeling wordt voor zover nodig verder ingegaan op de standpunten van partijen.

5.De beoordeling van het geschil

5.1.
Op grond van de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) kan de Politie in het kader van de aanbestedingsprocedure inschrijvers uitsluiten van verdere deelname als sprake is van de in artikel 2.86 en 2.87 uitgewerkte uitsluitingsgronden. In de Inschrijvingsleidraad 2025 (paragraaf 3.2) is opgenomen dat een inschrijver bij de toepasselijkheid van uitsluitingsgronden van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure wordt uitgesloten, tenzij naar het oordeel van de Politie sprake is van ‘self-cleaning maatregelen’ die een uitsluiting niet rechtvaardigen of naar het oordeel van de Politie de uitkomsten van een door de Politie uitgevoerde evenredigheidstoets een uitsluiting niet rechtvaardigen. Bij inschrijving moest door alle inschrijvers en eventuele onderaannemers een geldig ondertekend UEA worden ingediend, waarin wordt verklaard dat a) de uitsluitingsgronden van de artikelen 2.86 en 2.87 Aw 2012 niet van toepassing zijn, b) wordt voldaan aan de geschiktheidseisen en c) volledig wordt of zal worden voldaan aan alle eisen die in de aanbestedingsstukken zijn genoemd.
5.2.
In deze zaak gaat het in de eerste plaats om de vraag of de uitsluitingsgrond van artikel 2.87 lid 1 aanhef en onder c Aw 2012 van toepassing is. Hierin is bepaald dat de aanbestedende dienst een inschrijver of gegadigde kan uitsluiten van deelneming aan een aanbestedingsprocedure als de aanbestedende dienst aannemelijk kan maken dat de inschrijver of gegadigde in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, waardoor zijn integriteit in twijfel kan worden getrokken. Uit lid 2 van artikel 2.87 Aw 2012 volgt dat daarbij een ‘terugkijktermijn’ geldt van drie jaar. Uitsluitend ernstige fouten die zich hebben voorgedaan en/of valse verklaringen die zijn afgelegd in de drie jaar voorafgaand aan de inschrijving worden betrokken bij toepassing van artikel 2.87 lid 1 onder c Aw 2012.
5.3.
De Politie heeft zich verweerd met de stelling dat [tussenkomende partij] geen beroepsfouten heeft begaan, en zeker geen ernstige beroepsfouten die de door [eiseres] gestelde uitsluiting kunnen rechtvaardigen. Dit verweer slaagt.
5.4.
Daarbij is van belang dat het aan [eiseres] is om in deze procedure aannemelijk te maken dat [tussenkomende partij] beroepsfouten heeft begaan die tot uitsluiting moeten leiden en daarin is zij niet geslaagd. Anders dan [eiseres] lijkt te betogen, is het niet zo dat de Politie in het kader van het transparantiebeginsel moet aantonen dat [tussenkomende partij] aan alle eisen voldoet en/of
geenernstige beroepsfouten heeft gemaakt; de Politie moet in de aanbestedingsprocedure zorgvuldig beoordelen of sprake is van een grond voor uitsluiting en zij moet, als daar aanwijzingen voor zijn, daar (nader) onderzoek naar doen. Tussen partijen is niet in geschil dat de Politie onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van de door [eiseres] beschreven incidenten. [eiseres] is het met de conclusies die de Politie op basis van haar onderzoek heeft getrokken niet eens en verwacht dat de Politie nader onderzoek verricht en/of haar conclusies in het kader van het transparantiebeginsel (verder) met stukken onderbouwt. Een dergelijke verplichting kan echter niet worden aangenomen. Hieronder wordt daartoe voor de verschillende categorieën verwijten/incidenten het volgende overwogen.
5.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat [tussenkomende partij] een onderaannemer inzet van wie geen UEA is ingediend. Die onderaannemer (een vennootschap) bestond nog niet ten tijde van de vorige aanbestedingsprocedure en de Politie heeft terecht naar voren gebracht dat een opdrachtnemer andere (nieuwe) onderaannemers mag inschakelen als de Politie daarvoor toestemming geeft en die onderaannemers ook aan de eisen voldoen. Volgens de Politie is dat het geval bij de door [tussenkomende partij] ingeschakelde onderaannemer. De Politie heeft toegelicht dat – anders dan in de aanbestedingsstukken voorgeschreven – geen schriftelijke toestemming is gegeven, maar dat dit geen grond voor uitsluiting oplevert omdat wel aan de eisen voor het verlenen van toestemming was voldaan. [eiseres] is het daarmee niet eens en zij wijst erop dat er geen stukken zijn ingediend waaruit blijkt dat de onderaannemer aan de eisen voldoet, zoals ten aanzien van VOG’s en geheimhoudingsverklaringen. De voorzieningenrechter is met de Politie van oordeel dat het transparantiebeginsel niet tot het overleggen van dergelijke stukken verplicht. Een aanbestedende dienst is niet gehouden om een mede-inschrijver in staat te stellen om de aangelegde toets of uitsluitingsgronden op een inschrijver van toepassing zijn nog eens eigenhandig over te doen. Daarbij is van belang dat het gaat om vertrouwelijke stukken én [eiseres] niet heeft doen blijken van concrete aanwijzingen dat de medewerkers van de desbetreffende onderaannemer niet voldeden aan de vereisten. In dat verband tekent de voorzieningenrechter meer specifiek ten aanzien van de VOG’s nog aan dat de Politie er – onvoldoende weersproken – op heeft gewezen dat de chauffeurs van de onderaannemer bij steekproeven steeds beschikten over een recente VOG. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling (voor het eerst) naar voren gebracht dat een chauffeur van de onderaannemer desgevraagd heeft gezegd dat hij tijdens een rit voor de Politie niet beschikte over een recente VOG. Die enkele blote stelling, die bovendien door de Politie en [tussenkomende partij] is betwist, is volstrekt onvoldoende om een fout te kunnen aannemen. Daarbij komt dat ook als die stelling van [eiseres] wel juist is, én het ontbreken van een recent VOG tijdens dat vervoer zou moeten worden aangemerkt als een ernstige beroepsfout, dat niet zonder meer leidt tot de conclusie dat [tussenkomende partij] van deelname aan de aanbesteding voor de te gunnen opdracht moe(s)t worden uitgesloten. Uitsluiting is immers niet aan de orde als passende (self-cleaning) maatregelen kunnen worden getroffen waardoor dergelijke fouten in de toekomst kunnen worden voorkomen en/of als uitsluiting niet een evenredige sanctie is. De Politie heeft zich op het standpunt gesteld dat uitsluiting hier niet evenredig zou zijn en dit standpunt is door [eiseres] onvoldoende weerlegd. Een en ander geldt ook voor de door [eiseres] beschreven incidenten waarbij een stoffelijk overschot niet haar het juiste mortuarium zou zijn gebracht. De Politie heeft toegelicht dat zij onderzoek heeft gedaan naar deze door [eiseres] gestelde incidenten en dat in dat kader niet is gebleken dat [tussenkomende partij] (ernstige) fouten heeft gemaakt. Ook hier geldt dat het op de weg van [eiseres] lag om haar stelling dat niettemin sprake is van (ernstige) fouten van de onderaannemer nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten.
5.6.
De omstandigheid dat blijkens het voorgaande niet aannemelijk is geworden dat [tussenkomende partij] in het kader van de huidige vervoersopdracht een ernstige beroepsfout heeft begaan, leidt ertoe dat evenmin kan worden aangenomen dat [tussenkomende partij] met haar in het kader van de onderhavige aanbesteding ingediende UEA, waarin zij heeft verklaard dat geen uitsluitingsgronden van toepassing zijn, een valse verklaring als bedoeld in artikel 2.87, lid 1 sub h, Aw 2012 heeft afgelegd. De slotsom is dan ook dat er geen aanleiding bestond voor de Politie om [tussenkomende partij] uit te sluiten van deelneming aan de onderhavige aanbesteding. Dat betekent dat de primaire vordering van [eiseres] moet worden afgewezen. Voor een heraanbesteding bestaat evenmin aanleiding. [eiseres] heeft ook niet onderbouwd waarom daartoe zou moeten worden overgegaan.
5.7.
Het instellen van een eigen vordering door [tussenkomende partij] is geen vereiste om te kunnen tussenkomen. De voorwaarde waaronder [tussenkomende partij] haar vordering heeft ingesteld is daarmee niet vervuld. [tussenkomende partij] zal worden veroordeeld in de kosten van de Politie, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Politie naar aanleiding van hetgeen [tussenkomende partij] heeft aangevoerd extra kosten heeft moeten maken. Niettemin moet [eiseres] in haar verhouding tot [tussenkomende partij] worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van [tussenkomende partij] was immers te voorkomen dat de opdracht aan [eiseres] zou worden gegund, welk doel is bereikt. [eiseres] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van [tussenkomende partij] . Voorts zal [eiseres] , als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Politie.
5.8.
De proceskosten van zowel [tussenkomende partij] als de Politie worden begroot op:
- griffierecht € 714,--
- salaris advocaat € 1.107,--
- nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.999,--
5.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst het gevorderde af;
6.2.
veroordeelt [tussenkomende partij] in haar verhouding tot de Politie in de kosten van de Politie, tot dusver begroot op nihil;
6.3.
veroordeelt [eiseres] in de overige proceskosten van zowel de Politie als [tussenkomende partij] van ieder € 1.999,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de proceskostenveroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.4.
veroordeelt [eiseres] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.5.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
pd/mw