ECLI:NL:RBDHA:2025:27040

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/09/693274 / JE RK 25-1784
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige met bovengemiddelde opvoedbehoefte

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige met bovengemiddelde opvoedbehoefte vanwege veranderingen in de gezinssituatie en de wens om opvoedondersteuning te monitoren.

De minderjarige woont bij zijn vader en stiefmoeder, waarbij de stiefmoeder een groot deel van de opvoeding op zich neemt. De vader voert geen verweer tegen het verzoek, maar geeft aan dat hij de opvoeding zelf wil blijven verzorgen en dat afspraken soms lastig te plannen zijn vanwege zijn werkrooster.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging niet langer aanwezig zijn. De gezinsdynamiek is veranderd en er zijn geen zorgen meer over de thuissituatie. De reeds opgestarte opvoedondersteuning en de hulpverlening op school zijn voldoende. De kinderrechter benadrukt dat vrijwillige hulpverlening kan worden ingezet indien nodig.

Het verzoek tot verlenging wordt daarom afgewezen. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens ontbreken van noodzakelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/693274 / JE RK 25-1784
Datum uitspraak: 23 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
[de stiefmoeder],
hierna te noemen: de stiefmoeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader, ondersteund door een tolk;
De stiefmoeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de stiefmoeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De moeder van [de minderjarige] ,
[de moeder], is op [datum] 2024 overleden.
2.3.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.4.
[de minderjarige] woont bij zijn vader en de stiefmoeder.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 mei 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 1 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] woont sinds mei 2024 bij de vader. Inmiddels zijn de vrouw van de vader, haar dochter en de halfbroer van [de minderjarige] vanuit [land] naar Nederland verhuisd. De opvoedsituatie van [de minderjarige] is hierdoor wederom veranderd en het is de vraag of hij voldoende aandacht krijgt die nodig is voor zijn opvoedbehoeften. [de minderjarige] heeft vanwege zijn beperkingen een bovengemiddelde opvoedbehoefte. De vader voldoet grotendeels aan de basale opvoedbehoeften, maar de gecertificeerde instelling merkt dat de vader het lastig vindt om randzaken rondom [de minderjarige] te regelen zoals het reageren op e-mailberichten en het komen naar afspraken. De gecertificeerde instelling wil de komende periode monitoren of wordt voldaan aan de opvoedbehoeften van [de minderjarige] en of er voldoende aandacht, ondersteuning en stimulering is in de nieuwe gezinssamenstelling. Hiervoor wordt opvoedondersteuning vanuit Massive Care ingezet die is gestart in december 2025. [de minderjarige] gaat naar een voor hem passende school waar hij wordt voorzien in zijn behoeften op het gebied van sociale- en emotionele ondersteuning. Hij krijgt daar fysiotherapie, ergotherapie, zwemles en (rouw)therapie waardoor aanvullende hulpverlening voor [de minderjarige] niet nodig is. In de komende maanden wil de gecertificeerde instelling beoordelen of de ondertoezichtstelling kan worden afgerond.

4.De standpunten

4.1.
Door de vader is geen verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader heeft een goed contact met de jeugdbeschermer maar vindt het niet nodig dat er opvoedondersteuning wordt opgestart. Hij weet hoe hij voor [de minderjarige] moet zorgen en wil dit graag laten zien. Daarnaast wordt hij ondersteund door de stiefmoeder in de opvoeding van [de minderjarige] . De vader geeft aan dat hij niet naar bepaalde afspraken is geweest, omdat er geen rekening is gehouden met zijn beschikbaarheid en zijn werkrooster dat hij met het oog op het plannen van afspraken met bijvoorbeeld school had gedeeld. Hij wil deze taken ook gaan verdelen met zijn vrouw, maar vindt het daarvoor belangrijk dat hij haar eerst laat zien waar ze naar toe moet en haar bij de betrokkenen introduceert.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat niet langer aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling wordt voldaan. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Een maatregel in het gedwongen kader is naar het oordeel van de kinderrechter niet langer noodzakelijk. De gezinsdynamiek is in mei 2025 opnieuw veranderd, omdat de stiefmoeder, haar dochter en het halfbroertje sindsdien bij [de minderjarige] en de vader wonen. Het afgelopen halfjaar is er gezocht naar en gewerkt aan een nieuw evenwicht in de gezinssituatie. De opvoedbehoefte van [de minderjarige] is, vanwege zijn beperkingen, boven gemiddeld en vergt veel van een ouder. De vader wordt in de opvoeding van [de minderjarige] ondersteund door de stiefmoeder. Ze neemt een groot deel van de opvoedtaken over waardoor de vader ontlast wordt. Er zijn geen zorgen in de thuissituatie en de zorgen die er waren over de voeding van [de minderjarige] spelen niet langer een rol. De gecertificeerde instelling benoemt dat het wenselijk is om opvoedondersteuning in te zetten om te monitoren of er wordt aangesloten bij de opvoedbehoeften van [de minderjarige] . Dit is, vanwege het ontbreken van andere zorgen, echter onvoldoende reden om de ondertoezichtstelling te verlengen. Daarnaast heeft het gezin, naast de net opgestarte opvoedondersteuning, geen aanvullende hulpverlening en ontvangt [de minderjarige] de hulpverlening die hij nodig heeft tijdens schooltijd. De toelichting van vader ter zitting geeft er blijk van dat hij zich bewust is van de diverse afspraken die de medische situatie van [de minderjarige] met zich meebrengt en hoe hij dit wil organiseren. De kinderrechter vindt het daarbij wel belangrijk om de vader en de stiefmoeder mee te geven dat zij hulpverlening in het vrijwillig kader zullen moeten opstarten op het moment dat zij bijvoorbeeld moeite hebben met het nakomen van (medische) afspraken of op een andere manier ondersteuning nodig hebben bij de opvoeding van [de minderjarige] .

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 5 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.