De rechtbank Den Haag behandelde op 23 december 2025 het verzoek van de vader om een zorgregeling en contactregeling met zijn minderjarige kind vast te stellen. Partijen zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit over het kind, dat de Nederlandse nationaliteit bezit. De vader verzocht om wekelijkse videobelcontacten en om de week minimaal drie uur fysiek contact, met afspraken in onderling overleg tussen vader, moeder en stiefvader.
De rechtbank nam kennis van eerdere beschikking waarbij contact onder begeleiding van een jeugdbeschermer plaatsvond en van de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij de stiefvader. Tijdens een zitting op 13 november 2025 maakten partijen reeds afspraken over het contact, die de vader in het huidige verzoek wilde laten vastleggen.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat het verzoek in het belang van het kind is. Omdat de bodemprocedure tegelijk met het verzoek om voorlopige voorzieningen werd behandeld, wees de rechtbank het verzoek om voorlopige voorzieningen af. De rechtbank stelde de zorg- en contactregeling vast zoals door partijen overeengekomen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De regeling voorziet in wekelijkse videobelcontacten waarvan dag en tijd in overleg worden vastgesteld, en fysiek contact om de week van minimaal drie uur, met ruimte voor uitbreiding afgestemd op de behoeften van het kind. De rechtbank complimenteerde de ouders en stiefvader met hun onderlinge afspraken en wees het meer of anders verzochte af.