AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontbinding geregistreerd partnerschap met regeling hoofdverblijf en voorlopige kinderalimentatie
Partijen zijn sinds 2018 geregistreerd partners en ouders van twee minderjarige kinderen. De rechtbank ontbindt het geregistreerd partnerschap op verzoek van de vrouw, waarbij de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar wordt vastgesteld. De man is verplicht voorlopige kinderalimentatie te betalen van €263 per kind per maand, rekening houdend met een zorgkorting.
De rechtbank houdt de verzoeken omtrent de zorgregeling en definitieve kinderalimentatie aan tot 1 maart 2026, in afwachting van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. De verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen wordt vastgesteld, waarbij de vrouw de woning kan overnemen of deze wordt verkocht met verdeling van de overwaarde.
De vrouw krijgt het recht om de woning zes maanden na inschrijving van de ontbinding te blijven gebruiken tegen een gebruiksvergoeding gelijk aan de helft van de hypotheek- en eigenaarslasten. De inboedel wordt verdeeld, waarbij de man zijn laptop mag behouden. De bankrekeningen worden gelijk verdeeld. De auto-verzoeken zijn ingetrokken. Proceskosten worden aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank ontbindt het geregistreerd partnerschap, stelt hoofdverblijf bij de vrouw vast en bepaalt voorlopige kinderalimentatie van €263 per kind per maand.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 24-7560 (ontbinding) en FA RK 25-2383 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/674480 (ontbinding) en C/09/682723 (verdeling)
Datum beschikking: 23 december 2025
Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 23 oktober 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.E. Epping te Rotterdam .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa te Lisse.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 14 november 2024 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 28 november 2024 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 9 januari 2025 van de advocaat van de vrouw;
- het F9-formulier van 13 maart 2025 van de advocaat van de vrouw;
- het F9-formulier van 6 november 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen.
Op 18 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door mr. T.P. Monteiro Mendonça, waarnemend kantoorgenoot van haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Na de zitting heeft de rechtbank nog op 19 december 2025 een e-mail van de zijde van de vrouw ontvangen.
Feiten
- Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op [dag] 2018 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de vrouw en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben en de man de Slowaakse nationaliteit heeft.
- Deze rechtbank heeft op 23 september 2024 voorlopige voorzieningen getroffen en, voor zover van belang:
- bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres 1] , en mitsdien is bevolen dat de man die woning dient te verlaten en verder niet meer mag betreden;
- bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
- bepaald dat de man voorlopig is gerechtigd om de kinderen bij zich te hebben op de woensdagen uit school tot 17.00 uur, waarbij de man de kinderen zal ophalen uit school en de vrouw de kinderen bij de man zal ophalen om 17.00 uur;
- bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 23 september 2024 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 50,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
- Bij beschikking van 13 juni 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en daarover in de bodemprocedure onder zaak- en rekestnummer C/09/674480 / FA RK 24-7560 aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
- dat onderzoek dient antwoord te geven op de vraag welke zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is te achten en welke hulpverlening de ouders nodig hebben om ondanks de beperking in hun onderlinge communicatie het ouderschap gezamenlijk vorm te kunnen geven.
Verzoek en verweer
De vrouw heeft in haar verzoekschrift verzocht tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen met nevenvoorzieningen tot:
- bepaling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- bepaling dat de man, met ingang van de datum van het verzoekschrift, dan wel datum beschikking, zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 50,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, althans met ingang van een dusdanige datum en dusdanig bedrag in goede justitie te bepalen;
- toekenning van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning gelegen te [adres 1] , aan de vrouw voor een periode van 12 maanden na de beschikking;
- vaststelling van de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen zoals door de vrouw verzocht onder de punten 28 tot en met 51 van het verzoekschrift;
- de man te veroordelen binnen één week na de beschikking zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de echtelijke woning, waarbij onder verkoop mede moet worden begrepen het aanstellen van een door de vrouw gekozen makelaar en aan de bezichtigingen via deze makelaar ten behoeve van potentiële kopers, dan wel door een door de rechtbank aan te wijzen makelaar en het tekenen van het koopcontract voor een door de makelaar te adviseren vraagprijs;
- indien de man niet binnen één week na de beschikking zijn medewerking verleent, aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor hetgeen in bovengenoemd verzoek is genoemd en te bepalen dat de beschikking op grond van artikel 3:300 lid 2 BWPro mede in de plaats treedt van de opdracht tot dienstverlening aan de door de vrouw gekozen makelaar althans de door de rechtbank aangewezen makelaar, de door de makelaar op te stellen koopovereenkomst en een door de notaris op te stellen akte van levering met betrekking tot de woning met toebehoren, voor zover het betreft het verlenen van toestemming van de man tot die verkoop en levering in de ruimste zin des woords. De vrouw verzoekt eveneens om de vrouw in het kader van artikel 3:200 lid 1 BWPro als dwangvertegenwoordiger aan te wijzen met als doel de man te vertegenwoordigen bij de notariële akte tot verkoop van de koopwoning, waarbij de dwangvertegenwoordiging ziet op alle rechtshandelingen die hiertoe benodigd zijn waaronder, namens de man, zijn aandeel in de woning over te dragen;
- bepaling dat de vrouw in het kader van artikel 3:200 lid 2 BWPro als dwangvertegenwoordiger wordt aangewezen met als doel te man te vertegenwoordigen bij de notariële akte tot verkoop van de koopwoning, waarbij de dwangvertegenwoordiging ziet op alle rechtshandelingen die hiertoe benodigd zijn waaronder, namens de man, zijn aandeel in de woning over te dragen;
- bepaling dat de verkoopopbrengst van de woning dient te worden gebruikt voor aflossing van de hypothecaire geldlening, welke is afgesloten ter financiering van de aankoopsom en eventuele overige verkoopkosten, zoals de makelaarskosten, notariskosten, eventuele kosten voor het gebruiksklaar maken van de woning, eventuele achterstanden ter zake van de vaste lasten van de woning, waarna de helft van de over-/onderwaarde bij helfte aan partijen toekomt;
- bepaling dat de beschikking van deze rechtbank in de plaats treedt van de akte van levering als ook van de bij de eigendomsoverdracht en levering van de onroerende zaak, staande en gelegen aan de [adres 1] te verlaten, en door overgave der sleutels ter algehele en vrije beschikking van de vrouw te stellen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat hieraan niet voldaan wordt;
- bepaling dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag ad € 8.740,- ter zake hetgeen hij van de gemeenschappelijke rekening heeft gehaald ex artikel 1:164 BWPro juncto artikel 3:194 lid 2 BWPro;
- bepaling dat de man het geld van de spaarrekeningen van de kinderen – zijnde € 1.120,- per kind – terug dient te storten op de spaarrekeningen van de kinderen binnen veertien dagen na de beschikking, subsidiair te bepalen dat de vrouw een vordering heeft op de man voor voornoemd bedrag ex artikel 1:164 BWPro en daarbij te bepalen dat de man zijn aandeel heeft verbeurd ex artikel 3:194 lid 2 BWPro;
- bepaling dat de auto van het merk Hyundai i30 Station een waarde toekomt van € 16.500,-, dat de auto aan de man wordt toebedeeld met een vordering van de vrouw op de man ad € 8.250,-;
- de man te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 74.995,68 + PM;
- kosten rechtens,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de (in het verzoekschrift verzochte) kinderalimentatie van € 50,- per kind per maand. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken met nevenvoorzieningen tot:
- vastlegging van een zorgregeling, met dien verstande dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de helft van de tijd bij de man zullen zijn, evenals de helft van de algemeen erkende feestdagen en de helft van de schoolvakanties;
- bepaling dat partijen dienen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap van goederen, met dien verstande dat de helft van de overwaarde van de woning van partijen aan de man zal toekomen, terwijl de kosten van verkoop en van het verkoopklaar maken van de woning voor rekening van partijen gezamenlijk dient te komen, ieder voor de helft;
- bepaling, indien en voor zover door toedoen van de vrouw een achterstand ontstaat in de betalingen van de hypotheekrente met betrekking tot de gemeenschappelijke woning, dat de vrouw gehouden zal zijn de achterstallige rente en aflossing aan de beperkte gemeenschap te vergoeden;
- bepaling dat partijen gehouden zijn de saldi van de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap van goederen te verdelen bij helfte;
- bepaling dat partijen de inboedel van de woning dienen te verdelen op een zodanige wijze dat ieder van partijen de helft van de aanwezige inboedel zal ontvangen;
- bepaling dat de vrouw, indien en voor zover haar verzoek tot voortgezet gebruik van de woning zal worden toegewezen, gehouden zal zijn daartoe een vergoeding aan de man te betalen, waarbij de vergoeding primair zal dienen te worden gesteld op de huurwaarde van de woning, zijnde € 1.053,59 per maand zoals omschreven in punt 24 van het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, en subsidiair dient te worden vastgesteld aan de hand van een aan de man toekomend percentage van de overwaarde van de woning, zijnde € 625,70 per maand zoals omschreven in punt 25 van het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verzocht het verzoek van de man tot uitspreking van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap en het verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw toe te wijzen. De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
Bij F9-formulier van 6 november 2025 heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie gewijzigd en verzoekt nu een door de man te betalen kinderalimentatie van € 306,- per kind per maand te bepalen.
De man heeft mondeling verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Ontbinding geregistreerd partnerschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu het geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 4, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap rechtsmacht toe.
De rechtbank zal op grond van artikel 10:86 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht toepassen op het verzoek.
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De man erkent het voorgaande, zodat het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.
Overwegingen rechtbank
De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw tot bepaling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Zoals reeds is medegedeeld aan partijen heeft de rechtbank op 27 oktober 2025 van de Raad voor de Kinderbescherming bericht ontvangen dat het rapport van de Raad nog niet gereed is en de Raad daarom uitstel moet vragen. De rechtbank heeft het uitstel verleend. Gelet hierop zal de rechtbank de verzoeken ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tot 1 maart 2026 aanhouden.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de minderjarigen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal de rechtbank op grond van artikel 3 vanPro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw verzoekt thans om bepaling van een kinderalimentatie van € 306,- per kind per maand. Gelet op het feit dat de man in punt 46 van zijn verweerschrift tevens zelfstandig verzoek zelf heeft aangegeven over een inkomen te beschikken dat minimaal vergelijkbaar is met het inkomen van de vrouw, is de rechtbank van oordeel dat het op zijn weg had gelegen om te onderbouwen dat de door de vrouw geschatte draagkracht van de man onjuist is (nu de vrouw aan de kant van de man rekent met een lager inkomen dan bij haarzelf). De rechtbank zal daarom een voorlopigekinderalimentatie vaststellen en bij de berekening daarvan aansluiten bij het verzoek van de vrouw, met dien verstande dat de rechtbank rekening houdt met een zorgkorting van 5%, (gelet op de huidige zorgregeling tussen de man en de kinderen). De zorgkorting bedraagt dan € 43,- per maand (5% van € 850,-, de behoefte van elk van de kinderen die uit de berekening van de vrouw volgt). De rechtbank zal de voorlopige kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, 23 december 2025, nu partijen het over deze ingangsdatum eens zijn.
Gelet op het voorgaande is de man gehouden om voorlopig met ingang van 23 december 2025 een bedrag van € 263,- (€ 306,- - € 43,-) per maand per kind aan de vrouw te voldoen aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De rechtbank zal iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie aanhouden tot een nader te bepalen zitting waarop ook de verzoeken ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken worden behandeld. Tijdens die mondelinge behandeling kan dan worden besproken of de voorlopige kinderalimentatie als definitief kan worden vastgesteld of dat van andere cijfers moet worden uitgegaan. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de man zowel aan de vrouw als aan de rechtbank inzage zal geven in zijn inkomenssituatie, zodat met zijn actuele inkomensgegevens kan worden gerekend.
Verdeling partnerschapsgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Niet is gesteld of gebleken dat partijen bij rechtsgeldige overeenkomst de Nederlandse rechter hebben aangewezen voor de kennisneming van het verzoek met betrekking tot hun partnerschapsvermogen. Krachtens artikel 6, onder a van de Verordening vermogensrechtelijke gevolgen geregistreerde partnerschappen heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van het verzoek met betrekking tot hun partnerschapsvermogen, nu partijen op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Op grond van artikel 10:71 BWPro (oud) wordt het partnerschapsvermogen beheerst door het Nederlands recht, aangezien het partnerschap is aangegaan in Nederland en niet gesteld of gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt vóór het aangaan van het geregistreerd partnerschap.
Wettelijke beperkte gemeenschap van goederen
Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op 16 oktober 2018. Niet gesteld of gebleken is dat partijen partnerschapsvoorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (in samenhang met artikel 1:80b BW) moet worden aangenomen dat partijen een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.
De rechtbank overweegt dat nu sprake is van een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) ontbonden partnerschapsgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het geregistreerd partnerschap reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het geregistreerd partnerschap (en voorafgaand aan het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het geregistreerd partnerschap (en voorafgaand aan het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de geregistreerd partners in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 23 oktober 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 23 oktober 2024.
Omvang
De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen ter beoordeling aangedragen:
het woonhuis aan de [adres 1] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;
de inboedel;
de bankrekeningen;
1. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen;
2. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;
3. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van partijen;
4. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van [minderjarige 2] ;
5. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 5] op naam van [minderjarige 1] ;
de auto van het merk Hyundai i30 Station met Slowaaks kenteken;
Ad a. het woonhuis
De vrouw heeft aangegeven dat zij de echtelijke woning wil overnemen. Op de zitting is besproken dat de vrouw de gelegenheid krijgt om te bezien of zij de man kan uitkopen. Mocht dat niet lukken, dan moet de woning worden verkocht. De man heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal daarom in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan een eventuele overname van de echtelijke woning door de vrouw en, in het geval de vrouw daartoe niet in staat is, aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde.
Vergoedingsrecht vrouw in verband met aanwending privévermogen bij aankoop echtelijke woning en investeringen in de echtelijke woning
De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht op de man heeft van € 74.995,68. In dit kader heeft zij het volgende naar voren gebracht. De vrouw was eigenaar van de woning aan de [adres 2] te [plaats] . De vrouw heeft deze woning gedurende het geregistreerd partnerschap verkocht en de vrijgekomen middelen ingebracht bij de koop van de echtelijke woning.
De man heeft zich op het standpunt gesteld dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als aan de vrouw een vergoedingsrecht zou toekomen, omdat hij gedurende het geregistreerd partnerschap geldbedragen (waaronder zijn salaris), op de gezamenlijke rekening heeft gestort waarvan ook de kosten van de echtelijke woning werden betaald.
De vrouw heeft in reactie daarop aangegeven dat het salaris van de man pas vanaf augustus 2021 op de gezamenlijke rekening werd gestort, op welk moment de woning in [plaats] reeds was verkocht. Gedurende de periode dat de woning in [plaats] nog tot het eigendom van de vrouw behoorde, heeft de man af en toe bedragen overgemaakt naar de rekening die zij gezamenlijk gebruikten, maar dit waren – naar de rechtbank begrijpt – geen substantiële geldbedragen en deze zijn ook niet op structurele basis overgemaakt. Hierom is het volgens haar niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de gehele opbrengst van € 74.995,68 aan haar toekomt.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning in [plaats] tot het privévermogen van de vrouw behoorde. De vrouw heeft deze woning gedurende het geregistreerd partnerschap verkocht, waardoor de opbrengst daarvan in beginsel ook tot het privévermogen van de vrouw behoort en buiten de partnerschapsgemeenschap valt. De rechtbank is als gevolg hiervan van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen om te onderbouwen dat het door de vrouw gestelde vergoedingsrecht in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De man heeft echter geen stukken overgelegd waaruit valt af te leiden dat hij, gedurende de periode dat de woning in [plaats] in eigendom van de vrouw was, zodanige geldbedragen op de gezamenlijke rekening heeft overgemaakt waardoor het onredelijk zou zijn als de opbrengst van de woning in [plaats] alleen aan de vrouw zou toekomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat de volledige verkoopopbrengst alleen toekomt aan de vrouw. De vrouw heeft dan ook uit hoofde van artikel 1:95, tweede lid, BW het door haar gestelde vergoedingsrecht van € 74.995,68. De rechtbank zal in het dictum van deze beschikking bepalen dat bij de overdracht van de echtelijke woning aan de vrouw of een derde rekening gehouden moet worden met dit vergoedingsrecht.
Ad b. de inboedel
Volgens de vrouw heeft de man reeds inboedelgoederen meegenomen alsmede inboedelgoederen vernield in de periode dat hij als enige in de echtelijke woning verbleef. De vrouw heeft geen waarde van de inboedel kunnen bepalen en verzoekt de inboedel aan haar toe te bedelen zonder verrekening.
De man ontkent dat hij inboedelgoederen heeft vernield en beraadt zich nog over de inboedel die hij zou willen ontvangen.
Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij zijn laptop wil hebben. De vrouw heeft hiermee ingestemd. De vrouw heeft aangegeven dat de man daarnaast kan komen kijken in de echtelijke woning en dan mag aangeven wat hij van de inboedel wil hebben, mits hij de bedden van de kinderen laat staan. De rechtbank heeft op de zitting besproken dat partijen met elkaar een moment zullen plannen waarop de man in de woning kan kijken en kan bepalen wat hij van de inboedel wil meenemen, waarbij geldt dat de bedden van de kinderen in de echtelijke woning zullen blijven. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad c. de bankrekeningen
Partijen zijn het er op de zitting over eens dat de saldi op de bankrekeningen eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen, [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw en [rekeningnummer 3] op naam van partijen, tussen partijen per peildatum bij helfte worden verdeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Op de zitting is besproken dat de hypotheeklasten, de premie overlijdensrisicoverzekering en de premie voor de uitvaartverzekering van de man momenteel worden afgeschreven van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen deze afschrijvingen naar een andere bankrekening zullen overzetten, waarna de gezamenlijke rekeningen na verrekening zullen worden opgeheven. De rechtbank verwacht dat partijen hier beiden hun medewerking aan zullen verlenen.
Het verzoek van de vrouw dat de man een bedrag ad € 8.740,- aan de vrouw dient te voldoen ter zake hetgeen hij van de gemeenschappelijke rekening heeft gehaald, is – naar de rechtbank uit de e-mail van 19 december 2025 begrijpt – ingetrokken.
Met betrekking tot de spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van [minderjarige 2] en de spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 5] op naam van [minderjarige 1] overweegt de rechtbank dat deze bankrekeningen buiten de verdeling vallen, omdat deze toebehoren aan de kinderen. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij geldbedragen van de rekeningen van de kinderen heeft overgemaakt en deze bedragen apart heeft gezet. De rechtbank gaat ervan uit dat de man deze geldbedragen – voor zover dat nog niet gebeurd is – binnen 14 dagen na de beschikking op de rekeningen van de kinderen zal terugstorten. Dit leent zich echter niet voor opname in het dictum.
Ad d. de auto
Op de zitting heeft de vrouw het verzoek ten aanzien van de auto ingetrokken. De rechtbank hoeft op dat verzoek daarom niet meer te beslissen.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen als na te melden in het dictum van deze beschikking en het meer of anders verzochte ten aanzien van de verdeling van de partnerschapsgemeenschap afwijzen.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
Partijen zijn het op de zitting erover eens dat het voortgezet gebruik van de echtelijke woning slechts mogelijk is gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw heeft verzocht aldus te bepalen.
De man heeft geen bezwaar tegen het voortgezet gebruik van de echtelijke woning door de vrouw, mits hem een gebruiksvergoeding wordt toegekend.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw verblijft momenteel met de kinderen in de echtelijke woning. Zoals opgenomen in het dictum wordt de vrouw in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden na inschrijving van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand te onderzoeken of zij financieel in staat is om de woning over te nemen. Indien blijkt dat de vrouw niet in staat is om de overname van de woning te financieren, acht de rechtbank het redelijk dat zij nog drie maanden in de woning kan blijven en vanuit daar op zoek kan gaan naar een nieuwe woning voor haarzelf en de kinderen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen voor een termijn van zes maanden na de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Ten aanzien van de gebruiksvergoeding overweegt de rechtbank als na te melden.
Gebruiksvergoeding echtelijke woning
De man heeft primair verzocht een gebruiksvergoeding vast te stellen gelijk aan de huurwaarde. Subsidiair heeft de man verzocht een gebruiksvergoeding vast te stellen die gebaseerd is op een percentage van zijn aandeel in de overwaarde van de woning. Ook heeft de man verzocht te bepalen, indien en voor zover door toedoen van de vrouw een achterstand ontstaat in de betalingen van de hypotheekrente met betrekking tot de gemeenschappelijke woning, dat de vrouw gehouden zal zijn de achterstallige rente en aflossing aan de beperkte gemeenschap te vergoeden.
De vrouw heeft zich verzet tegen het verzoek van de man. Zij heeft gesteld dat zij op dit moment de vaste lasten van de woning betaalt. De vrouw is financieel niet in staat om daarbovenop ook nog een gebruiksvergoeding aan de man te voldoen. Verder heeft de vrouw betwist dat sprake is van een achterstand in de betaling van de hypotheeklasten.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is gebleken dat de vrouw vanaf 1 januari 2025 zowel de hypotheekaflossing als de rente volledig draagt. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de door de vrouw – na inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand – aan de man te betalen gebruiksvergoeding gelijk te stellen aan de helft van de hypotheek- en eigenaarslasten van de echtelijke woning, die de man aan de vrouw verschuldigd is, zodat deze tegen elkaar weggestreept kunnen worden. De rechtbank ziet geen aanleiding een aanvullende vergoeding aan de man toe te kennen. De rechtbank zal aldus beslissen en het meer of anders verzochte te dien aanzien afwijzen.
Proceskosten
Nu de rechtbank een beslissing over de zorgregeling en de kinderalimentatie zal aanhouden, zal zij ook een beslissing over de proceskosten aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, aangegaan op 16 oktober 2018 te [plaats] ;
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ;
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 263,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de partnerschapsgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres 1] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1) de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van de beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;
b) de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus het vergoedingsrecht van de vrouw van € 74.995,68, de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus het vergoedingsrecht van de vrouw van € 74.995,68, de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
met betrekking tot de inboedel: partijen zullen met elkaar een moment plannen waarop de man in de woning kan kijken en kan bepalen wat hij van de inboedel wil meenemen (in ieder geval de laptop van de man), waarbij geldt dat de bedden van de kinderen in de echtelijke woning zullen blijven;
aan de man worden toegedeeld:
- de helft van het saldo op de peildatum (23 oktober 2024) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (23 oktober 2024) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;
- de helft van het saldo op de peildatum (23 oktober 2024) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van partijen;
aan de vrouw worden toegedeeld:
- de helft van het saldo op de peildatum (23 oktober 2024) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (23 oktober 2024) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;
- de helft van het saldo op de peildatum (23 oktober 2024) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van partijen;
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres 1] , en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
bepaalt dat de vrouw vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand totdat de woning is geleverd aan de vrouw dan wel een derde, doch niet langer dan zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand, een gebruiksvergoeding aan de man dient te betalen, welke gelijk is aan het door de man aan de vrouw te betalen deel van de hypotheek- en eigenaarslasten;
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap – uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte over de verdeling van de partnerschapsgemeenschap, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de gebruiksvergoeding;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de kinderalimentatie en de proceskosten aan tot1 maart 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 23 december 2025.