ECLI:NL:RBDHA:2025:26998

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/09/694358 / KG ZA 25-1107
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis in kort geding over zorg- en contactregeling tussen ouders van minderjarige

In deze zaak, die op 16 december 2025 door de Rechtbank Den Haag is behandeld, gaat het om een kort geding tussen de vader en de moeder van een minderjarig kind. De vader heeft de moeder aangeklaagd omdat zij de zorg- en contactregeling, zoals vastgesteld in een eerdere beschikking van 30 april 2024, niet nakomt. De moeder heeft sinds 14 september 2025 het contact met het kind eenzijdig gestaakt, wat leidt tot grote verwarring bij het kind. De vader vordert dat de moeder wordt veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling en dat er een dwangsom wordt opgelegd voor elke keer dat zij deze niet naleeft. De moeder voert verweer en vraagt in reconventie om schorsing van de beschikking totdat zij weer in staat is om voor het kind te zorgen. Tijdens de zitting wordt duidelijk dat de moeder psychisch in de knoop zit en niet in staat is om de zorgregeling na te komen. De voorzieningenrechter stelt voor dat de moeder tijdelijk videobelt met het kind, zodat er toch contact kan zijn. De voorzieningenrechter schorst de verplichting tot weekendomgang, maar bepaalt dat de moeder moet videobellen. De kosten worden door beide partijen zelf gedragen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/694358 / KG ZA 25-1107
Vonnis in kort geding van 16 december 2025
in de zaak van
[de vader] te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. I. Gerrand te Eindhoven,
tegen:
[de moeder]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader en ‘de moeder’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door gedaagde overgelegde conclusie van antwoord tevens houdende een eis in reconventie, met producties.
1.2.
Tijdens de zitting van 2 december 2025 is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad uit welke relatie het navolgende,
thans nog minderjarige, kind is geboren:
- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
2020.
2.2.
De vader heeft [minderjarige] erkend en beide partijen zijn belast met het gezag over [minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van 30 april 2024 heeft deze rechtbank de hoofdverblijfplaats
van [minderjarige] bij de vader bepaald en een zorg- en contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] vastgelegd, voor zover thans nog van belang, inhoudende:
- vanaf 9 december 2024 zal [minderjarige] in een cyclus van vier weken drie weekenden bij de moeder zijn van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur. De overdracht is bij de Mc Donalds in [plaats] ;
- vanaf 9 december 2024 mag de moeder [minderjarige] elke dinsdag en donderdag tussen 18.00 uur en 18.30 uur (video-)bellen;
- de vakanties en wettelijke feestdagen worden bij helfte gedeeld.
2.4.
De moeder heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld. Bij beschikking van 16
april 2025 heeft het Gerechtshof te Den Haag de bestreden beschikking bekrachtigd.
2.5.
Sinds januari 2025 loopt de contactregeling waarbij [minderjarige] in een cyclus van vier
weken gedurende drie weekenden bij de moeder is. De vakanties worden bij helfte
gedeeld.
2.6.
Sinds 14 september 2025 heeft de moeder het contact met [minderjarige] eenzijdig gestaakt.

3.Het geschil

3.1.
De vader vordert – na wijziging van eis en zakelijk weergegeven – uitvoerbaar bij voorraad –:
- de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorg- en contactregeling zoals vastgelegd door de rechtbank Den Haag in de beschikking van 30 april 2024;
- te bepalen dat de moeder aan de vader een dwangsom verbeurt van € 500,--
per keer dat de moeder de zorgregeling niet integraal en op alle onderdelen
nakomt,
dan wel een beslissing te nemen als de voorzieningenrechter juist acht.
3.2.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
3.3.
Tevens vordert de moeder in reconventie de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van
de beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 april 2024 te schorsen totdat de
moeder weer in staat is voor [minderjarige] te zorgen.

4.De beoordeling van het geschil

In conventie en reconventie
4.1.
Nu de eisen in conventie en reconventie met elkaar samenhangen zullen die hierna gezamenlijk worden besproken.
4.2.
Vaststaat dat er sinds 14 september 2025 geen enkel contact meer is tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder heeft ter zitting aangegeven tijdelijk afstand te nemen van [minderjarige] . Zij heeft verteld dat dit uit onmacht is en dat zij emotioneel en mentaal momenteel niet in staat is de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen, vanwege de voortdurende conflicten met de vader en door alle beschuldigingen en spanningen die zij in de afgelopen vier jaar met de vader heeft meegemaakt. Zij stelt dat zij het ook niet meer kan verdragen om het verdriet van [minderjarige] te zien, vooral elke zondag als zij hem weer aan de vader moet overdragen. Zij heeft aangegeven dat zij tijdelijk afstand doet van de zorg voor [minderjarige] en de zorg volledig aan de vader zal overdragen. De vader is het daar niet mee eens. Doordat de moeder heeft besloten in het geheel geen contact meer met [minderjarige] te willen, is [minderjarige] volgens hem in grote verwarring gebracht. De vader vindt het in het belang van [minderjarige] dat de moeder de door de rechtbank vastgelegde zorg- en contactregeling weer correct gaat nakomen.
4.3.
De voorzieningenrechter heeft ter zitting vastgesteld dat de moeder op dit moment
psychisch dermate in de knoop zit, dat zij daadwerkelijk niet in staat lijkt de bij
beschikking bepaalde zorgregeling na te komen. Op de zitting is besproken
dat een en ander niet wegneemt, dat het voor [minderjarige] belangrijk is dat hij met zijn beide
ouders contact heeft en houdt. Als dat tijdelijk als gevolg van de psychische conditie
van de moeder niet fysiek kan, dan moet er worden gezocht naar een andere manier
waarop [minderjarige] toch geregeld contact kan hebben met zijn moeder. Op de zitting is daarom afgesproken dat de moeder met ingang van de datum van dit vonnis elke dinsdag en donderdag tussen 18.00 uur en 18.30 uur met [minderjarige] zal videobellen. De moeder belt dan de vader, de vader zal de telefoon aannemen en aan [minderjarige] geven en vervolgens de kamer verlaten, zodat de moeder en [minderjarige] onbelast en vrij met elkaar kunnen praten. Van belang daarbij is, dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over de reden van het (tijdelijk) ontbreken van contact met de moeder bij haar thuis. Dat klemt te meer nu de vader [minderjarige] tot op heden heeft verteld dat de moeder op een lange vakantie is, in een poging haar afwezigheid aan [minderjarige] te verklaren. De ouders moeten dan ook samen een eenduidig verhaal aan [minderjarige] gaan vertellen over de reden waarom de moeder op dit moment niet in staat is om [minderjarige] bij zich te hebben, namelijk dat zij ziek is en inmiddels doktershulp heeft gezocht om weer beter te worden. Dat is een boodschap die voor [minderjarige] op zijn leeftijd begrijpelijk is. De moeder heeft ter zitting ook bevestigd dat zij de komende maanden, met behulp van medicatie en een psycholoog, daadwerkelijk zal werken aan haar mentale herstel. Het ligt op haar weg de vader op de hoogte te houden van de voortgang van die behandeling, zodat de zorgregeling zodra dat mogelijk is weer (geleidelijk) kan worden opgestart. Voor zover de moeder ook problemen heeft met haar financiën die een extra belemmering zouden kunnen vormen voor hervatting van de zorgregeling, dient zij ook daarvoor passende hulp te zoeken. De voorzieningenrechter benadrukt nogmaals dat het in het belang van [minderjarige] is dat er zo snel mogelijk weer fysiek contact is tussen [minderjarige] en de moeder en dat zij haar rol als moeder weer gaat oppakken. Immers, hoe langer [minderjarige] feitelijk gescheiden is van de moeder, hoe schadelijker dat is voor [minderjarige] en hoe lastiger het wordt het contact met [minderjarige] weer te herstellen.
4.4.
Dit alles leidt ertoe dat de vorderingen in conventie en in reconventie feitelijk
deels toewijsbaar zijn. De verplichting tot weekendomgang wordt immers geschorst, terwijl de verplichting tot videobellen door de moeder wel moet worden nagekomen. Voor oplegging van een dwangsom aan de moeder als prikkel tot nakoming van de verplichting tot videobellen bestaat echter geen aanleiding. De vrouw heeft ter zitting immers zonder meer ingestemd met dit videobellen. De voorzieningenrechter heeft onder de gegeven omstandigheden geen reden eraan te twijfelen dat de moeder deze verplichting ook daadwerkelijk zal nakomen.
4.5.
In de omstandigheid dat het hier een familierechtelijke procedure betreft, wordt
aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij, zowel in conventie als in reconventie, de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
In conventie en reconventie:
5.1.
schorst de beschikking van deze rechtbank van 30 april 2024 voor zover het de verplichting tot weekendomgang betreft en bepaalt dat de moeder
voorlopig, totdat haar psychische conditie voldoende is verbeterd, slechts gehouden is elke dinsdag en donderdag tussen 18.00 uur en 18.30 te videobellen met [minderjarige] ;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op
16 december 2025.
PH