ECLI:NL:RBDHA:2025:26944

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/09/695783 / JE RK 25-2095
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van jeugdbescherming

Op 22 december 2025 heeft de kinderrechter in de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven over de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2021. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om deze maatregelen vanwege ernstige zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van de minderjarige, die lijdt aan cerebrale parese, spasme en epilepsie. De moeder van de minderjarige heeft aangegeven overbelast te zijn en heeft hulpverlening te laat ingeschakeld. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de thuissituatie onveilig is door de verontrustende uitspraken van de moeder over haar betrokkenheid bij een crimineel circuit. De Raad heeft geconstateerd dat de moeder onvoldoende in staat is om de noodzakelijke zorg voor de minderjarige te bieden, wat heeft geleid tot een zichtbare achteruitgang in de ontwikkeling van de minderjarige. De kinderrechter heeft de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden toegewezen, met de nadruk op het belang van de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/695783 / JE RK 25-2095
Datum uitspraak: 22 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. I. van Gorkum uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 9 december 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 9 december 2025 tot
23 december 2025. Ook is voor dezelfde duur een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [de minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, bij tante moederszijde. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze mondelinge behandeling.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de voornoemde beschikking van 9 december 2025 en de daarin genoemde stukken.
1.3.
Op 22 december 2025 heeft de zitting met gesloten deuren plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder;
- [naam 1] , namens de Raad;
- [naam 2] en [naam 3] , namens de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] verblijft bij de tante moederszijde.
2.2.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 9 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de tante moederszijde te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] en het uitblijven van de noodzakelijke hulpverlening. Door school en het [revalidatiecentrum] worden op meerdere ontwikkelingsdomeinen een zichtbare achteruitgang gesignaleerd. [de minderjarige] heeft een verhoogde zorgbehoefte vanwege cerebrale parese, spasme en epilepsie. Ook loopt [de minderjarige] moeizaam vanwege een spalk. [de minderjarige] is regelmatig afwezig van school en mist belangrijke afspraken bij [revalidatiecentrum] . De moeder schaft daarnaast de benodigde hulpmiddelen voor de revalidatie van [de minderjarige] niet aan. Een andere grote zorg betreft de veiligheid van [de minderjarige] . De moeder heeft meermaals geuit dat zij wordt bedreigd door het criminele circuit. Het is volgens de Raad onduidelijk of er een daadwerkelijke dreiging is van buitenaf of dat sprake is van psychische problematiek bij de moeder. In een gesprek met [instantie] heeft de moeder meerdere waanachtige en niet realistische overtuigingen gedeeld. De Raad kan onvoldoende inschatten wat er precies speelt bij de moeder, maar vindt wel dat de thuissituatie onveilig is. Deze signalen worden ook opgemerkt door de buren en het netwerk. Er zijn ook zorgen om de emotionele beschikbaarheid van de moeder. Het lukt niet om tot een samenwerking te komen met professionals en de moeder lijkt overbelast te zijn. De moeder is al enige tijd onbereikbaar voor de betrokken professionals. Hierdoor is er sinds 21 november 2025 geen enkel zicht op de thuissituatie en de veiligheid van [de minderjarige] . Het lukt binnen het vrijwillig kader niet meer om de samenwerking met de moeder aan te gaan en de noodzakelijke hulpverlening van de grond te krijgen. De veiligheid en de ontwikkeling van [de minderjarige] thuis kan niet meer gewaarborgd worden en van belang is dat zij de komende periode kan blijven bij de tante moederszijde, waar haar veiligheid nu voldoende gewaarborgd is. Er moet nader onderzoek gedaan worden naar de uitspraken van de moeder en een gedegen inschatting gemaakt worden van de veiligheidsrisico’s bij de moeder thuis. Ondertussen moet er hulpverlening worden ingezet voor [de minderjarige] zodat zij weer tot ontwikkeling komt. Ook zal er gekeken moeten worden welke rol de vader in het leven van [de minderjarige] kan vervullen in de toekomst om de moeder in de verzorging van [de minderjarige] te kunnen ontlasten. De Raad hoopt dat de ouders alsnog een traject bij Ouderschap Blijft aangaan om de onderlinge communicatie te kunnen verbeteren in het belang van [de minderjarige] .

4.De standpunten

4.1.
De moeder stemt in met het verzoek. De moeder wil wel benadrukken dat er een paar feitelijke onjuistheden in het raadsrapport staan vermeld waar zij zich niet in kan vinden. Dit neemt echter niet weg dat de moeder zelf inziet dat zij te lang heeft gewacht met het inschakelen van hulpverlening voor zichzelf, waardoor zij steeds verder is afgegleden. De moeder vindt het lastig om alle ballen hoog te houden en is overbelast geraakt. [de minderjarige] heeft vanwege haar gezondheidsproblemen een verhoogde opvoedvraag en de moeder kan hier hulp bij gebruiken. De moeder ziet daarom een meerwaarde in de betrokkenheid van een jeugdbeschermer. De moeder is gelijk op zoek gegaan naar passende hulpverlening. Hoewel de moeder het liefst zelf voor [de minderjarige] wil zorgen, verzet de moeder zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een uithuisplaatsing bij de tante moederszijde. De moeder maakt zich wel nog zorgen om de plotselinge contactbreuk tussen haar en [de minderjarige] . Verder is de woning van de tante moederszijde niet aangepast op de benodigde hulpmiddelen voor [de minderjarige] . De moeder wil de tante moederszijde ontlasten door [de minderjarige] te halen en te brengen naar het revalidatiecentrum, dat zich naast het huis van de moeder bevindt.
4.2.
Door en namens de vader is ingestemd met het verzoek. De vader is ontzettend geschrokken van de situatie en maakt zich enorm veel zorgen om [de minderjarige] . De voorlopige zorgregeling die door de rechtbank is vastgesteld in juli 2025 wordt al langere tijd niet nagekomen en het contactherstel met [de minderjarige] blijft hierdoor uit. Hierdoor had de vader zelf ook geen zicht op hoe het met [de minderjarige] ging. De vader is blij dat [de minderjarige] nu veilig terecht kan bij de tante moederszijde, maar merkt hierbij wel op dat hij twijfels heeft over de draagkracht van de tante moederszijde, gelet op de verhoogde zorgbehoefte van [de minderjarige] . De vader hoopt dat het contactherstel met [de minderjarige] de komende periode van de grond gaat komen. De vader is bereid om in de toekomst de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen.
4.3.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. De jeugdbeschermers die ter zitting zijn verschenen kunnen gelijk aan de slag.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is op basis van de stukken en de zitting van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Er zijn ernstige zorgen over de veiligheid en de ontwikkeling van [de minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De zorgen ten aanzien van de veiligheid van [de minderjarige] zijn ontstaan naar aanleiding van de verontrustende uitspraken die de moeder heeft gedaan over het criminele circuit waar zij in verzeild in lijkt te zijn geraakt. Er zouden regelmatig drugsdealers bij de moeder over de vloer komen en drugs en vuurwapens in huis liggen. De moeder heeft in gesprekken met [instantie] aangegeven gechanteerd te worden door drugsbendes en in financiële problemen te verkeren. De zorg is dat [de minderjarige] al langere tijd aan deze situatie wordt blootgesteld, wat onveiligheid met zich meebrengt. De moeder is vanwege deze situatie onvoldoende in staat voldoende (emotioneel) beschikbaar voor [de minderjarige] te zijn. [de minderjarige] heeft een verhoogde opvoedbehoefte en dat vergt de nodige aandacht van een beschikbare opvoeder, de inzet van adequate hulpverlening en de juiste hulpbehoevende middelen thuis. Bij school en [revalidatiecentrum] wordt er momenteel op meerdere ontwikkelingsdomeinen een zichtbare achteruitgang bij [de minderjarige] gesignaleerd. Hulpverlening binnen het vrijwillig kader is onvoldoende toereikend gebleken, nu de moeder de afgelopen periode het contact afhoudt. De noodzakelijke hulpverlening komt daarom niet van de grond. [de minderjarige] stagneert hierdoor in haar fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. De kinderrechter vindt het, gelet op de aard en de ernst van de zorgen, noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft die, hangende het raadsonderzoek, de noodzakelijke hulpverlening kan inschakelen voor [de minderjarige] . De Raad zal onderzoek moeten doen naar de uitspraken van de moeder en gekeken moet worden wat er nodig is om [de minderjarige] weer veilig terug naar huis te krijgen. Ook zal gekeken moeten worden welke rol de vader in het leven van [de minderjarige] kan gaan spelen in de toekomst.
5.3.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2] Op dit moment kan de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie niet gewaarborgd worden gelet op de zorgen rondom het criminele netwerk van de moeder. De moeder is daarnaast overbelast en het lukt haar niet om afspraken bij [revalidatiecentrum] (structureel) na te komen en de benodigde hulpmiddelen voor de revalidatie van [de minderjarige] in huis te halen. Om de veiligheid en de ontwikkeling van [de minderjarige] te kunnen waarborgen is het noodzakelijk dat het verblijf bij de tante moederszijde gecontinueerd wordt. Dit is voor [de minderjarige] een veilige, rustige en gestructureerde omgeving, waar zij zich kan richten op haar ontwikkeling en de noodzakelijke hulpverlening van de grond kan komen. Het is belangrijk dat de draagkracht van de tante moederszijde, die ook zorg draagt voor de halfbroer en halfzus én haar eigen kinderen, in balans blijft. Hier zal de jeugdbeschermer ook aandacht voor moeten hebben. De moeder zal de komende periode moeten benutten om alle noodzakelijke hulpverlening voor zichzelf in te schakelen. Het is positief dat de moeder zelf de politie heeft ingeschakeld en zelf ook inziet dat er iets moet veranderen in het belang van [de minderjarige] . De kinderrechter hoopt dat de moeder de hulpverlening met beide handen aangrijpt en aan zichzelf gaat werken zodat er op termijn gekeken kan worden hoe [de minderjarige] veilig terug naar huis kan.
5.4.
De kinderrechter zal de voorlopige ondertoezichtstelling voor de gevraagde duur van drie maanden dus (verder) toewijzen. Deze maatregel kent een bij wet bepaalde duur van drie maanden, vanaf de datum van de eerste uitspraak, in dit geval de beslissing op 9 december 2025. Dat betekent dat de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling nu aansluitend zal uitspreken tot 9 maart 2026. Ook zal de kinderrechter de gecertificeerde instelling machtigen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de tante moederszijde tot 9 maart 2026.
5.5.
De beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 23 december 2025 tot 9 maart 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de tante moederszijde met ingang van 23 december 2025 tot 9 maart 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.E. van Reisen als griffier, en op schrift gesteld op 5 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.