ECLI:NL:RBDHA:2025:26941

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/09/695801 / JE RK 25-2098
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van jeugdbescherming

Op 22 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden, betreffende de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen, die tijdelijk bij hun tante moederszijde verblijven. De Raad heeft verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling voor drie maanden, omdat de moeder van de kinderen in een problematische situatie verkeert, met zorgen over haar emotionele beschikbaarheid en mogelijke betrokkenheid bij criminele activiteiten. Tijdens de zitting op 22 december 2025 zijn de kinderen gehoord en is de moeder aanwezig geweest. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de veiligheid van de kinderen niet gewaarborgd kan worden in de thuissituatie en dat een jeugdbeschermer noodzakelijk is om de hulpverlening te coördineren. De kinderrechter heeft de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing toegewezen, met een duur van drie maanden, tot 9 maart 2026. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/695801 / JE RK 25-2098
Datum uitspraak: 22 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over:
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 9 december 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 9 december 2025 tot
23 december 2025. Ook is voor dezelfde duur een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, bij de tante moederszijde. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze mondelinge behandeling.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de voornoemde beschikking van 9 december 2025 en de daarin genoemde stukken.
1.3.
Op 22 december 2025 heeft de zitting met gesloten deuren plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [naam 1] , namens de Raad;
- [naam 2] en [naam 3] , namens de gecertificeerde instelling.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, met toestemming van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven bij de tante moederszijde.
2.2.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van
9 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de tante moederszijde te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. [de minderjarige 1] heeft niet-aangeboren-hersenletsel en [de minderjarige 2] heeft een angststoornis, waar hulpverlening voor ingeschakeld moet worden. [de minderjarige 1] neemt daarnaast de zorgtaken van zijn halfzusje [halfzus] op zich. Verder zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] regelmatig afwezig op school. Een andere grote zorg betreft de veiligheid van de kinderen. De moeder heeft meermaals geuit dat zij wordt bedreigd door het criminele circuit. Het is volgens de Raad onduidelijk of er een daadwerkelijke dreiging is van buitenaf of dat sprake is van psychische problematiek bij de moeder. In een gesprek met [instantie] heeft de moeder meerdere waanachtige en niet realistische overtuigingen gedeeld. De Raad kan onvoldoende inschatten wat er precies speelt bij de moeder, maar ziet wel dat de kinderen in onveiligheid verblijven. Deze signalen worden ook opgemerkt door de buren en het netwerk. Er zijn ook zorgen om de emotionele beschikbaarheid van de moeder. Het lukt niet om tot een samenwerking te komen met professionals en de moeder lijkt overbelast te zijn. De moeder is al enige tijd onbereikbaar voor de betrokken professionals. Hierdoor is er sinds 21 november 2025 geen enkel zicht op de thuissituatie en de veiligheid van de kinderen. Het lukt binnen het vrijwillig kader niet meer om de samenwerking met de moeder aan te gaan en de noodzakelijke hulpverlening van de grond te krijgen. De veiligheid van de kinderen thuis kan niet meer gewaarborgd worden en van belang is dat zij de komende periode kunnen blijven bij de tante moederszijde, waar hun veiligheid nu voldoende gewaarborgd is. Er moet nader onderzoek gedaan worden naar de uitspraken van de moeder en een gedegen inschatting gemaakt worden van de veiligheidsrisico’s bij de moeder thuis. Ondertussen moet er hulpverlening worden ingezet voor de kinderen zodat zij weer tot ontwikkeling kunnen komen.

4.De standpunten

4.1.
De moeder stemt in met het verzoek. De moeder erkent dat er zorgen zijn en dat er iets moet gebeuren om deze zorgen weg te nemen. De moeder is bereid om alle hulpverlening hiervoor te accepteren. De moeder heeft de politie ingeschakeld en aangifte gedaan.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is op basis van de stukken en de zitting van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Er zijn ernstige zorgen over de veiligheid en de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de thuissituatie bij de moeder. De zorgen over de veiligheid van de kinderen zijn ontstaan naar aanleiding van de verontrustende uitspraken die de moeder heeft gedaan over het criminele circuit waar zij in verzeild in lijkt te zijn geraakt. Er zouden regelmatig drugsdealers bij de moeder over de vloer komen en drugs en vuurwapens in huis liggen. Daarnaast zouden de kinderen naar pinautomaten gestuurd worden om grote geldbedragen te pinnen. De moeder heeft in gesprekken met [instantie] aangegeven gechanteerd te worden door drugsbendes en in financiële problemen te verkeren. De kinderen lijken al langere tijd aan deze situatie te worden blootgesteld en hun veiligheid komt hiermee ook in gevaar. Het lukt de moeder niet om (emotioneel) beschikbaar te zijn voor de kinderen. De kinderen hebben een verhoogde opvoedbehoefte en dat vergt de nodige aandacht van een beschikbare opvoeder en de inzet van adequate hulpverlening. Hulpverlening binnen het vrijwillig kader is onvoldoende toereikend gebleken, nu de moeder het contact afhoudt. De noodzakelijke hulpverlening komt daarom niet van de grond. De kinderen stagneren hierdoor in hun fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. Ook op school zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] vaker afwezig geweest. De kinderrechter vindt het, gelet op de aard en de ernst van de zorgen, noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft die, hangende het raadsonderzoek, de noodzakelijke hulpverlening kan inschakelen voor de kinderen. De Raad zal onderzoek moeten doen naar de uitspraken van de moeder en gekeken moet worden wat er nodig is om de kinderen veilig terug naar huis te krijgen.
5.3.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis worden geplaatst. [2] Op dit moment kan de veiligheid van de kinderen thuis niet gewaarborgd worden gelet op de uitspraken van de moeder die wijzen op een gevaarlijke thuissituatie. De moeder is daarnaast overbelast en het lukt haar niet om de kinderen te voorzien in hun bovengemiddelde opvoedbehoefte. Om de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen te kunnen waarborgen is het noodzakelijk dat hun verblijf bij de tante moederszijde gecontinueerd wordt. Dit is voor de kinderen een veilige, rustige en gestructureerde omgeving, waar zij zich kunnen richten op hun ontwikkeling en de noodzakelijke hulpverlening van de grond kan komen. Het is belangrijk dat de draagkracht van de tante moederszijde, die ook zorg draagt voor haar eigen kinderen en het halfzusje [halfzus] , in balans blijft. Hier zal de jeugdbeschermer ook aandacht voor moeten hebben. De moeder zal de komende periode moeten benutten om alle noodzakelijke hulpverlening voor zichzelf in te schakelen. Het is positief dat de moeder zelf de politie heeft ingeschakeld en zelf ook inziet dat er iets moet veranderen in het belang van de kinderen. De kinderrechter hoopt dat de moeder de hulpverlening met beide handen aangrijpt en aan zichzelf gaat werken zodat er op termijn gekeken kan worden hoe de kinderen veilig terug naar huis kunnen.
5.4.
De kinderrechter zal de voorlopige ondertoezichtstelling voor de gevraagde duur van drie maanden dus (verder) toewijzen. Deze maatregel kent een bij wet bepaalde duur van drie maanden, vanaf de datum van de eerste uitspraak, in dit geval de beslissing op 9 december 2025. Dat betekent dat de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling nu aansluitend zal uitspreken tot 9 maart 2026. Ook zal de kinderrechter de gecertificeerde instelling machtigen om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen bij de tante moederszijde tot 9 maart 2026.
5.5.
De beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 23 december 2025 tot 9 maart 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, bij de tante moederszijde, met ingang van 23 december 2025 tot 9 maart 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.E. van Reisen als griffier, en op schrift gesteld op 5 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.