Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:26923

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/09/688469 / FA RK 25-5321
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:5 BWArt. 1:20e BWArt. 1:207 BWArt. 1:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling vaderschap na postmortaal gebruik van embryo

De moeder, gehuwd met de overleden vader, verzoekt de rechtbank het vaderschap van de vader over haar kind, geboren na postmortaal gebruik van een embryo, vast te stellen. De vader was overleden in 2020, en de moeder is in 2025 zwanger geworden via een vruchtbaarheidsbehandeling met het ingevroren embryo.

De rechtbank neemt kennis van de toestemmingsverklaring van de vader voor postmortaal embryogebruik en bevestigt dat het vaderschap voldoende vaststaat. De moeder en de bijzondere curator verzoeken tot vaststelling van het vaderschap, wat in het belang van het kind wordt geacht.

De rechtbank wijst het verzoek af om een afschrift van de beschikking direct aan de burgerlijke stand te zenden, omdat dit ambtshalve na drie maanden gebeurt. Ook wordt het verzoek tot naamswijziging afgewezen, omdat het kind dezelfde geslachtsnaam draagt als het eerste kind van de ouders. De werkzaamheden van de bijzondere curator worden beëindigd en het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt afgewezen.

Uitkomst: Het vaderschap van de overleden vader over het kind wordt vastgesteld, verzoeken tot naamswijziging en afgifte afschrift aan burgerlijke stand worden afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5321
Zaaknummer: C/09/688469
Datum beschikking: 22 december 2025

Gerechtelijke vaststelling ouderschap

Beschikking op het op 7 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. D.Z. Peters te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1],

de minderjarige, hierna: [minderjarige 1],
in rechte vertegenwoordigd door mr. B.J. de Deugd, advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, ingekomen op 7 juli 2025;
- het verweerschrift van de bijzondere curator, ingekomen op 22 september 2025;
- het bericht van 22 september 2025, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
- het bericht van 10 oktober 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder;
- het bericht van 27 oktober 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder.

Feiten

- De moeder is op [datum 1] 2020 gehuwd met [de vader] (hierna: de vader), geboren op [geboortedatum 2] 1990 te [geboorteplaats 2].
- De vader is overleden op [datum 2] 2020 te [plaats].
- Op [geboortedatum 1] 2025 is [minderjarige 1] uit de moeder geboren.
- [minderjarige 1] is niet erkend.
- De moeder heeft van rechtswege het gezag over [minderjarige 1].
- Bij beschikking van 6 augustus 2025 is mr. B.J. de Deugd voornoemd benoemd tot bijzondere curator om de toen nog ongeboren vrucht van wie de moeder in verwachting was ingevolge artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Verzoek

De moeder verzoekt nu:
- het ouderschap van de vader over [minderjarige 1] vast te stellen;
- de griffier op te dragen een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] ter inschrijving van de beschikking in de daartoe bestemde registers en op te dragen aan de ambtenaar (voor zoveel nodig) dat het kind de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam]’ zal dragen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De bijzondere curator verzoekt het verzoek van de moeder om het ouderschap van de vader over [minderjarige 1] vast te stellen, toe te wijzen.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
Op grond van het bepaalde in artikel 1:207, derde lid, BW, moet de moeder van het kind het verzoek binnen vijf jaren na de geboorte van het kind indienen. De moeder kan daarom in haar verzoek worden ontvangen.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:207 BW Pro kan, op verzoek van de moeder of het kind, het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank worden vastgesteld.
Uit de overgelegde stukken is de rechtbank het volgende gebleken.
De moeder is getrouwd geweest met de vader. De vader is op [datum 2] 2020 overleden aan de gevolgen van kanker. Toen de vader nog leefde, is de moeder via een
ivf-behandeling zwanger geraakt van zoon [minderjarige 2]. [minderjarige 2] is geboren op [geboortedatum 4] 2021. Blijkens de overgelegde toestemmingsverklaring postmortaal embryogebruik heeft de vader op
17 augustus 2020 toestemming gegeven aan de moeder om ingeval van zijn overlijden hun ingevroren embryo’s gedurende een periode van vijf jaar te (blijven) bewaren om toekomstig gebruik ten behoeve van een zwangerschap bij de moeder mogelijk te maken. In de overgelegde brief van 15 april 2025 van de polikliniek voortplantingsgeneeskunde van het [ziekenhuis] wordt meegedeeld dat de moeder zwanger is na een vruchtbaarheidsbehandeling in de kliniek en dat de zwangerschap tot stand is gekomen met gebruik van semen van de overleden partner van de moeder. Aangegeven wordt dat de vader expliciet toestemming heeft gegeven voor postmortaal gebruik van de resterende embryo’s aan de moeder en dat hij dus zeker de biologische vader is van het nog ongeboren kind.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het ouderschap van de vader, als resultaat van postmortaal gebruik van een embryo, voldoende vaststaat, zodat hij de biologische is van [minderjarige 1]. Verder staat vast dat de vader de voormalige levensgezel van de moeder was, die heeft ingestemd met de daad die de verwekking van [minderjarige 1] tot gevolg heeft gehad. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat haar afstamming wordt vastgesteld. Daarom zal het verzoek van de moeder ter zake de vaststelling van het ouderschap worden toegewezen.
Verzoek ten aanzien van het versturen van een afschrift naar de ambtenaar
De moeder verzoekt de griffer op te dragen een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente]. De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:20e BW volgt dat de griffier na verloop van drie maanden ambtshalve een afschrift van de beschikking naar de ambtenaar van de burgerlijke stand zal zenden. De rechtbank zal dit verzoek dan ook bij gebrek aan belang afwijzen.
Geslachtsnaam
Op grond van artikel 1:5, tweede lid, BW houdt een kind, indien het door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap in familierechtelijke betrekking tot de vader kom te staan, de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de man, wiens ouderschap is vastgesteld, ter gelegenheid van de vaststelling gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. Is één van de ouders voorafgaand aan het tijdstip waarop de naamskeuze uiterlijk moet zijn gedaan overleden en is de naamskeuze niet gedaan, dan let de andere ouder een verklaring omtrent de naamskeuze af (artikel 1:5, negende lid, BW).
Een uitzondering op voormelde regel volgt uit artikel 1:5, achtste lid, BW:
“Een verklaring van de ouders als bedoeld in het tweede, derde, vierde of zesde lid, kan slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van hun eerste kind worden afgelegd. (…) Onverminderd het zevende lid, hebben volgende kinderen van dezelfde ouders (…) dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind (…).”.
Gelet op artikel 1:5, achtste lid, BW zal de geslachtsnaam van [minderjarige 1] van rechtswege wijzigen in ‘[geslachtsnaam]’ bij toewijzing van het verzoek tot vaststelling van het ouderschap, en wel op het moment dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. De moeder en de vader zijn namelijk ook ouders van [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 4] 2021. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder om de ambtenaar op te dragen dat [minderjarige 1] de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam]’ zal dragen, afwijzen.
Bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige 1] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
De aard van de zaak verzet zich tegen het bij voorraad uitvoerbaar verklaren van de beschikking, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast het ouderschap van:
[de vader], geboren op [geboortedatum 2] 1990 te [geboorteplaats 2],
over:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1],
uit:
[de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1989 te [geboorteplaats 1];
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2025.