ECLI:NL:RBDHA:2025:26904

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/09/688817 / FA RK 25-5503
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bepaalt co-ouderschapsregeling na verzoek minderjarige tot wijziging omgangsregeling

De minderjarige heeft de rechtbank verzocht om wijziging van de omgangsregeling, omdat zij vaak ruzie heeft met haar vader en stress ervaart bij verblijf daar. Zij wenst minder vaak bij haar vader te verblijven en niet meer te overnachten, met voorkeur voor contact op vrijdagavond.

De rechtbank heeft gesprekken gevoerd met de minderjarige, ouders en de Raad voor de Kinderbescherming. De vader erkent verschillen in perceptie van ruzie en benadrukt het belang van communicatie en opvoedkundige bijsturing. De moeder steunt grotendeels de verzoeken van de vader.

De rechtbank constateert dat beide ouders verschillende opvoedstijlen hanteren maar bereid zijn te communiceren. Daarom wordt ambtshalve een co-ouderschapsregeling vastgesteld met een gelijk aandeel in zorg en opvoeding. De zorgregeling kan in onderling overleg tussen de minderjarige en ouders worden aangepast.

De rechtbank wijst verzoeken tot dwingende hulpverlening af, omdat dit van de ouders zelf moet komen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en is uitgesproken op 22 december 2025 door kinderrechter A.S. Perniciaro.

Uitkomst: De rechtbank stelt een co-ouderschapsregeling vast waarbij beide ouders een gelijk aandeel in de zorg en opvoeding hebben, met mogelijkheid tot aanpassing in onderling overleg.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5503
Zaaknummer: C/09/688817
Datum beschikking: 22 december 2025

Informele rechtsingang

Beschikkingnaar aanleiding van de op 17 juli 2025 ingekomen aanvraag via de informele rechtsingang als bedoeld in artikel 1:253a lid 4 jo. 1:377g van het Burgerlijk Wetboek van:

[de minderjarige] ,

de minderjarige,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft op 17 juli 2025 een e-mailbericht ontvangen van [de minderjarige] .
Op 2 september 2025 heeft [de minderjarige] in een gesprek met de rechter van deze rechtbank haar
e-mailbericht verder toegelicht.
De rechtbank heeft de ouders ingelicht over het gesprek met [de minderjarige] en hen uitgenodigd voor een zitting om hun mening over de wensen van [de minderjarige] aan de rechtbank kenbaar te maken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming is voor de zitting uitgenodigd.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2025. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder;
  • de vader;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Op de zitting heeft de vader spreekaantekeningen overgelegd.
De rechtbank heeft [de minderjarige] na de zitting wederom uitgenodigd voor een kindgesprek. Op 10 december 2025 heeft het gesprek plaatsgevonden, waarbij gesproken is over wat er op de zitting met de ouders is besproken.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest tot [datum] 2016.
  • Zij zijn de ouders van het nu nog minderjarige kind:
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , roepnaam: [de minderjarige] .

Aanvraag

[de minderjarige] heeft de rechter gevraagd om de omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat ze niet meer de helft van de week bij haar vader verblijft.
[de minderjarige] heeft in haar brief en het gesprek van 2 september 2025 met de rechter – kort samengevat – aangegeven dat zij een wijziging van de omgangsregeling wil, omdat zij botst met haar vader en zij vaak ruzie met elkaar hebben. [de minderjarige] kreeg na verloop van tijd veel stress als ze naar haar vader moest gaan. [de minderjarige] wil wel contact met haar vader, maar ze wil minder vaak naar hem toe en ze wil niet meer bij hem slapen. [de minderjarige] zou het liefst op vrijdag bij de vader langskomen om te eten.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat slechts in een aantal gevallen een minderjarige zich zonder tussenkomst van zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) rechtstreeks tot de rechter kan wenden. Op grond van artikel 1:377g in samenhang met artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter naar aanleiding van een aanvraag van een minderjarige van twaalf jaar of ouder ambtshalve een beslissing geven over onder andere de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).
De vader heeft aangegeven dat [de minderjarige] en hij een verschillend beeld hebben van wat ruzie is. Volgens de vader ervaart [de minderjarige] een situatie als ruzie wanneer ze herhaaldelijk ergens op wordt gewezen, zoals het maken van haar huiswerk. De vader heeft toegelicht dat hij zulke momenten als opvoedkundige bijsturing ervaart. De vader heeft benadrukt dat hij het belangrijk vindt dat [de minderjarige] en hij leren om beter met elkaar te communiceren. Verder heeft de vader verteld dat [de minderjarige] de zorgregeling zelf heeft aangepast en nu op woensdag bij hem eet en om het weekend ook bij hem is. De vader heeft gevraagd om de huidige zorgregeling in de beschikking op te nemen, totdat de betrokken hulpverlening de ouders hierover kan adviseren. Ook heeft de vader gevraagd om gezinstherapie als verplicht onderdeel van het hulpverleningstraject vast te leggen en om de relatietherapie voor gescheiden ouders via Wegwijs in Relatie en Scheiding verplicht voort te zetten.
De moeder heeft toegelicht dat de huidige zorgregeling pas sinds kort op deze wijze wordt uitgevoerd. De moeder kan zich grotendeels vinden in de verzoeken van de vader.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank constateert dat beide ouders andere opvoedstijlen hanteren, maar zij wel bereid en in staat zijn om met elkaar te communiceren over [de minderjarige] . De rechtbank is daarom van oordeel dat de vader en de moeder beiden een gelijk aandeel in de zorg voor [de minderjarige] moeten hebben. De rechtbank zal daarom ambtshalve bepalen dat een co-ouderschapsregeling geldt, maar de zorgregeling in onderling overleg tussen [de minderjarige] en de ouders kan worden aangepast. De rechtbank heeft voldoende vertrouwen dat [de minderjarige] in goed overleg met haar ouders andere afspraken kan maken als dat nodig mocht blijken. De rechtbank zal beslissen als na te melden en ambtshalve dus een andere beslissing nemen dan [de minderjarige] heeft aangevraagd. De rechter heeft [de minderjarige] dat ook uitgelegd in het gesprek van 10 december 2025 op de rechtbank.
De rechtbank merkt nog het volgende op. De vader heeft gevraagd om hulpverlening op te leggen. Zoals op de zitting is besproken is het van belang dat de ouders goed met elkaar blijven communiceren in het belang van [de minderjarige] . De rechtbank kan verbetering van de communicatie niet en hulpverlening niet dwingend opleggen. Dit moet van de ouders zelf komen. Nu er al hulpverlening bij de ouders is betrokken, gaat de rechtbank ervan uit dat beide ouders met deze hulpverlening hun onderlinge communicatie in het belang van [de minderjarige] zullen verbeteren.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt de volgende zorgregeling ten aanzien van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] : de vader en de moeder hebben beiden een gelijk aandeel in de zorg- en opvoedingstaken, waarbij geldt dat in beginsel sprake is van een
co-ouderschapsregeling, maar de zorgregeling in onderling overleg tussen [de minderjarige] en beide ouders kan worden aangepast;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 december 2025.