Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?2.Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1966. Op 28 augustus 1998 is eiser Nederland binnengekomen. Zijn asielaanvraag van 29 augustus 1998 is vervolgens afgewezen vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (Vv). Dit besluit staat in rechte vast. Op 19 februari 2014 is aan eiser een inreisverbod opgelegd. Bij besluit van 11 oktober 2024 is het inreisverbod op verzoek van eiser opgeheven. Verweerder heeft in datzelfde besluit aan eiser een signalering in het SIS opgelegd voor de duur van 10 jaar, omdat hij een bedreiging voor de openbare orde vormt vanwege de toepassing van artikel 1(F) van het Vv. Volgens verweerder kan dit besluit de evenredigheidstoets doorstaan. De signalering is niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM, omdat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen eiser en zijn drie kinderen, nu zij niet langer meer samenwonen met eiser. Er is wel sprake van familieleven met zijn echtgenote en dochter [naam]. Ook is sprake van privéleven, maar het zwaarwegende belang van de Nederlandse staat bij bescherming van de openbare orde weegt volgens verweerder zwaarder dan het belang van eiser om hier familie- en privéleven uit te kunnen oefenen.
De rechtbank overweegt dat verweerder bij een besluit tot signalering moet beoordelen of de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt. [4] Dat artikel 1(F) van het Vv op een vreemdeling van toepassing is, leidt niet automatisch tot het oordeel dat van een dergelijke bedreiging sprake is. [5] Verweerder moet daarbij namelijk onder andere ook het gedrag en de houding van de vreemdeling sinds het plegen van de 1(F)-misdrijven betrekken. Daarbij speelt de vraag of aannemelijk is dat de vreemdeling zijn leven daarna aantoonbaar en duurzaam heeft verbeterd. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt ook dat het aan de vreemdeling is om te onderbouwen dat hij geen actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde (meer) is. [6] Vormt eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging?