Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:26880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25/8273
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:28 Algemene plaatselijke verordening Den HaagArt. 8:81 AwbArt. 27 AlcoholwetArt. 30e Wet op de KansspelenArt. 2:28F Algemene plaatselijke verordening Den Haag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering exploitatie- en alcoholvergunning

Verzoeker heeft de exploitatie van een horecagelegenheid overgenomen en een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning, een alcoholwetvergunning en een aanwezigheidsvergunning. Deze aanvragen zijn door de burgemeester van Den Haag geweigerd omdat uit controles bleek dat de inrichting als café werd geëxploiteerd, wat niet overeenkomt met de verleende vergunning voor een restaurant categorie 2 licht of middelzwaar.

Verzoeker stelde dat hij wel degelijk een restaurant exploiteert en dat de weigering onterecht is. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening omdat de beslissing op bezwaar pas in januari 2026 wordt verwacht en hij door huurverhoging en dreigend huurcontractontbinding spoedeisend belang zou hebben.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat verzoeker pas laat een voorziening heeft gevraagd terwijl hij al maanden gesloten was, en de financiële situatie niet acuut was aangetoond. Ook was het besluit niet evident onrechtmatig omdat de feiten en het gemeentelijk beleid duidelijk zijn en een diepgaand onderzoek in de bezwaarprocedure thuishoort.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de vergunningen wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8273

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Smit),
en

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P. Alonso).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvragen van verzoeker om een exploitatievergunning [1] , een alcoholwetvergunning [2] en een aanwezigheidsvergunning [3] (hierna: de vergunningen). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang bij verzoeker. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 2 juli 2025 heeft verweerder de aanvragen van verzoeker om de vergunningen afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Met het besluit van 19 juli 2012 is aan dhr. [naam] een vergunning verleend voor de exploitatie van de alcoholhoudende horeca-inrichting restaurant ‘ [restaurant 1] ’, categorie 2, in het perceel [perceel] . Dhr. [verzoeker] heeft de onderneming op 1 maart 2025 overgenomen en de naam hiervan gewijzigd naar ‘ [restaurant 2] ’. Het gemeentelijk beleid maakt het mogelijk dat een nieuwe ondernemer tijdelijk onder de eerdere vergunning kan exploiteren, mits er binnen een periode van 13 weken een nieuwe, volledige aanvraag om een exploitatievergunning wordt ingediend. [4] Naar aanleiding van meldingen van omwonenden hebben toezichthouders van de gemeente Den Haag op 6, 14 en 16 maart 2025 controles uitgevoerd bij verzoeker en daarbij – kort samengevat – geconstateerd dat de horeca-inrichting in de vorm van een café werd geëxploiteerd en dat daarmee in strijd is gehandeld met de voorwaarden van de eerdere vergunning. Met deze vergunning is namelijk slechts de exploitatie van horeca tot en met categorie 2 licht of middelzwaar toegestaan. De exploitatie van een café valt onder categorie 2 zwaar en is op grond van de betreffende vergunning dus niet mogelijk. Daarmee is sprake van illegale exploitatie van de onderneming. Met de waarschuwingsbrief van 20 maart 2025 heeft verweerder dit aan verzoeker medegedeeld en hem verzocht zo snel mogelijk een exploitatievergunning aan te vragen. Pas als de aanvraag wordt toegewezen, mag de onderneming weer worden geëxploiteerd. Tot die tijd moet de onderneming dus gesloten blijven.
3.1.
Op 18 april 2025 heeft verzoeker aanvragen ingediend voor een exploitatievergunning, een alcoholwetvergunning en een aanwezigheidsvergunning. Met het besluit van 2 juli 2025 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen omdat uit de drie controles in maart 2025 is gebleken dat verzoeker de horeca-inrichting niet als een restaurant, maar als een café exploiteert. Verweerder acht hiervoor van doorslaggevende betekenis dat de bezoekers tijdens die controles geen maaltijden nuttigden en ook onvoldoende voorzieningen aanwezig waren om maaltijden te bereiden. Dat op de later door verzoeker overlegde menukaart grotendeels afzonderlijke gerechten staan, is eveneens een aanwijzing voor verweerder dat geen sprake is van een restaurant.
Wat vindt verzoeker?
4. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar ingesteld en gelijktijdig de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Over het spoedeisende belang geeft hij aan dat verweerder tijdens de hoorzitting van 19 november jl. te kennen gaf dat de beslissing op zijn bezwaarschrift pas in de loop van januari 2026 wordt verwacht. In een mail van 25 november 2025 heeft de verhuurder verzoeker evenwel te kennen gegeven dat de huurprijs met ingang van 1 januari 2026 fors zal worden verhoogd. Ook de huurovereenkomst zal hoogst waarschijnlijk worden ontbonden, omdat er thans geen exploitatie plaatsvindt. Van verzoeker kan daarom redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij de beslissing op zijn bezwaar afwacht.
Verder stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij de horeca-inrichting wel degelijk exploiteert als zijnde een restaurant. Er is sprake van een professionele keuken die naar aanleiding van de verrichte controles verder is geoptimaliseerd. Op de avonden van de controles waren, anders dan verweerder heeft gesteld, wel degelijk maaltijden beschikbaar die door bezoekers konden worden genuttigd. Dat er een geringe voorraad aanwezig was, kan worden verklaard vanuit het feit dat om de hoek een supermarkt aanwezig is waar alle ingrediënten ad-hoc kunnen worden ingekocht. Daarbij volgt nergens uit de wet dat een onderscheid kan worden gemaakt tussen verschillende typen horeca-inrichtingen. Dat betekent ook dat verweerder geen voorwaarden mag verbinden aan de wijze waarop verzoeker zijn voorraad beheert en wat voor gerechten hij aan zijn gasten voorschotelt.
Verder doet verzoeker een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft aan horeca-inrichting ‘MacDonalds’ namelijk wel een exploitatievergunning verleend, terwijl bezoekers daar doorgaans ook alleen een hamburger of een ijsje nuttigen.
In het kader van de belangenafweging voert verzoeker nog aan dat het besluit verstrekkende gevolgen voor hem heeft. In dit geval had ook kunnen worden volstaan met minder ingrijpende maatregelen, zoals het stellen van nadere voorwaarden of het verlenen van een tijdelijke vergunning onder toezicht. Verweerder heeft deze alternatieve mogelijkheden onvoldoende onderzocht.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Awb alleen een voorlopige voorziening treft als onverwijlde spoed dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
5.1.
Verzoeker heeft pas op 25 november 2025 een voorlopige voorziening ingediend, terwijl het besluit tot weigering van de gevraagde vergunningen al op 2 juli 2025 is genomen. Bovendien volgt uit de waarschuwingsbrief van 20 maart 2025 dat verzoeker met ingang van die datum gesloten moest blijven totdat de vereiste exploitatievergunning is verleend. Dat betekent dat verzoeker tot het moment van het indienen van de voorziening al ruim vijf maanden was gesloten. Het feit dat verzoeker zo lang heeft gewacht met het indienen van de voorziening, terwijl hij in die maanden geen inkomsten genereerde maar tegelijkertijd wel de vaste lasten moest voldoen, getuigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van enige voortvarendheid.
Daar komt bij dat verzoeker weliswaar bewijs heeft gestuurd van het feit dat de verhuurder met ingang januari van 2026 de huur zal verhogen, echter gaat dit slechts om een maandelijkse verhoging van € 1.250,-. Dit afgezet tegen het feit dat verzoeker de afgelopen vijf maanden inkomsten uit de exploitatie is misgelopen, een situatie die kennelijk geen aanleiding gaf om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen, maakt dat de voorzieningenrechter het niet aannemelijk vindt dat verzoeker door deze extra kosten opeens in een acute financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Verzoeker heeft ook geen financiële stukken ingediend die wijzen op het tegendeel. Dat de verhuurder zou hebben aangegeven dat de huurovereenkomst bij deze stand van zaken binnen afzienbare tijd zal worden ontbonden, zoals verzoeker op de zitting heeft betoogd, heeft zij evenmin met nadere stukken kunnen onderbouwen.
Verder geldt nog dat verweerder de verwachting heeft uitgesproken dat de beslissing op het bezwaar van verzoeker al binnenkort, ergens in de loop van januari 2026, zal volgen. Deze relatief korte periode tot de beslissing op bezwaar maakt het treffen van een voorziening eveneens minder urgent. Het voorgaande in onderling verband bezien brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat in dit geval een spoedeisend belang ontbreekt.
Evident onrechtmatig besluit
6. De door verzoeker gevraagde voorziening kan, nu een spoedeisend belang ontbreekt, alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Dit houdt in dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval echter geen sprake. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd op voorhand geen reden om te twijfelen aan de inhoud van de processen-verbaal van de drie controles die bij verzoeker hebben plaatsgevonden en het op grond daarvan door verweerder ingenomen standpunt dat de vergunde situatie niet overeenkwam met de feitelijke situatie. De APV schrijft dwingend voor dat de gevraagde vergunningen in dat geval moeten worden geweigerd. Een meer uitvoerige beoordeling van de feiten en omstandigheden behoort verder naar zijn aard in de bezwaarprocedure thuis en niet in onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid, aanhef en onder e, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Den Haag (hierna: de APV Den Haag).
2.Als bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Alcoholwet.
3.Als bedoeld in artikel 30e, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Kansspelen.
4.Op grond van artikel 2:28F, eerste lid, van de APV Den Haag.