ECLI:NL:RBDHA:2025:26880
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering exploitatie- en alcoholvergunning
Verzoeker heeft de exploitatie van een horecagelegenheid overgenomen en een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning, een alcoholwetvergunning en een aanwezigheidsvergunning. Deze aanvragen zijn door de burgemeester van Den Haag geweigerd omdat uit controles bleek dat de inrichting als café werd geëxploiteerd, wat niet overeenkomt met de verleende vergunning voor een restaurant categorie 2 licht of middelzwaar.
Verzoeker stelde dat hij wel degelijk een restaurant exploiteert en dat de weigering onterecht is. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening omdat de beslissing op bezwaar pas in januari 2026 wordt verwacht en hij door huurverhoging en dreigend huurcontractontbinding spoedeisend belang zou hebben.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat verzoeker pas laat een voorziening heeft gevraagd terwijl hij al maanden gesloten was, en de financiële situatie niet acuut was aangetoond. Ook was het besluit niet evident onrechtmatig omdat de feiten en het gemeentelijk beleid duidelijk zijn en een diepgaand onderzoek in de bezwaarprocedure thuishoort.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de vergunningen wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.