Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:26878

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25/8376
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 IBMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 96 Wetboek van Militair Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij arbeidsconflict militair

Verzoeker, militair sinds 1996, is sinds 2014 betrokken bij een arbeidsconflict met Defensie, waarbij zijn wapenverlof ten onrechte werd ingetrokken. Na diverse pogingen tot herstel van zijn functie, werd hem in augustus 2025 een keuze geboden tussen twee functies. Omdat hij niet koos, werd hem een functie toegewezen waarop hij niet verscheen vanwege een sociaal onveilige werkomgeving. Dit leidde tot een besluit van 13 november 2025 dat hij geen aanspraak heeft op inkomsten wegens onttrekking aan dienstverplichtingen.

Verzoeker stelde bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, stellende dat zijn bestaanszekerheid in gevaar is en dat het besluit onrechtmatig is omdat zijn medische inzetbaarheid niet was vastgesteld. De voorzieningenrechter overwoog dat bij financiële geschillen spoedeisend belang slechts snel wordt aangenomen bij onomkeerbare situaties of acute financiële nood, wat hier niet het geval was.

Verweerder stelde dat de ongeoorloofde afwezigheid eindigde op 13 november 2025 toen verzoeker zich ziek meldde en de bedrijfsarts op 20 november 2025 zijn ziekte vaststelde. Hierdoor was het verlies aan inkomsten beperkt tot de periode 16 oktober tot 13 november 2025. Verzoeker betwistte deze stellingen niet. De voorzieningenrechter concludeerde dat spoedeisend belang ontbrak en wees het verzoek af zonder zitting.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8376

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.A. Visser).

Samenvatting

1. Deze uitspraak over het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend hangende het door hem ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 13 november 2025 dat hij op grond van artikel 18 van Pro het Inkomstenbesluit militairen (IBM) geen aanspraak heeft op inkomsten.
1.1.
Verweerder heeft op de ingediende voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang bij verzoekster. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker is op 29 januari 1996 aangesteld bij de Koninklijke Landmacht. Vanaf 1999 is hij opgeleid tot Schutter Lange Afstand. Met ingang van 2001 is zijn aanstelling gewijzigd en is hij een omscholingsopleiding tot onderofficier gaan volgen. Sindsdien heeft hij verschillende operationele functies in de schietwereld vervuld, waaronder verschillende instructeursfuncties bij het Opleidings- en Trainingscentrum Manoeuvre (OTCMAN). Kort samengevat is verzoeker sinds 2014, toen zijn wapenverlof naar later bleek ten onrechte werd ingetrokken, verwikkeld geraakt in een slepend arbeidsconflict met Defensie. Verzoeker heeft zich vanwege dit arbeidsconflict op 3 april 2017 ziekgemeld en zijn werkzaamheden sindsdien niet meer volledig hervat. Het sluiten van een vaststellingsovereenkomst en een door Defensie geïnitieerd mediaton-traject van bijna twee jaar hebben er niet toe geleid dat verzoeker weer duurzaam in een functie werkzaam is. Om deze patstelling te doorbreken heeft verweerder hem met de brief van 21 augustus 2025 in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken zelf een keuze te maken tussen twee functies waarop hij geplaatst kan worden, te weten Cursusleider/instructeur/trainer (sniper/marksman) bij OTCMAN en Veiligheidsonderofficier op het infanterie Schietkamp. Als verzoeker niet binnen deze termijn aangeeft op welke functie hij wil worden geplaatst, dan zal verweerder hem zelf een functie toewijzen. Omdat verzoeker niet binnen de gestelde termijn een keuze had gemaakt, heeft verweerder met het besluit van 26 september 2025 de functie van Veiligheidsonderofficier ISK aan hem toegewezen.
2.1.
Verzoeker is op de aanvangsdatum van de plaatsing op zijn nieuwe functie niet op zijn werkplek verschenen, kort samengevat omdat daar volgens hem sprake is van een sociaal onveilige werkomgeving. Verweerder heeft dit aangemerkt als ongeoorloofde afwezigheid en werkweigering. Met de brief van 14 oktober 2025 heeft verweerder verzoeker gelet daarop een waarschuwing gegeven en hem opgedragen om zich op 16 oktober 2025 alsnog op zijn werkplek te melden. Ook daarna is verzoeker echter niet op zijn werkplek verschenen. Op 4 november 2025 heeft de Commandant Infanterie [kampnaam] aangifte tegen verzoeker gedaan bij de Koninklijke Marechaussee vanwege ongeoorloofde afwezigheid. [1] Met het besluit van 13 november 2025 heeft verweerder besloten dat verzoeker met ingang van 16 oktober 2025 geen aanspraak heeft op inkomsten omdat hij zich onttrekt aan zijn dienstverplichtingen. [2]
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar ingesteld en gelijktijdig de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Over het spoedeisende belang geeft hij aan dat zijn bestaanszekerheid door het besluit in acuut gevaar komt omdat hij niet meer kan voorzien in de voor hem noodzakelijke kosten.
Verder geeft hij – kort samengevat –- aan dat het besluit onrechtmatig is omdat zijn medische inzetbaarheid hieraan voorafgaand niet is vastgesteld. Bovendien is de aangifte waarop het besluit is gebaseerd niet consistent en niet in lijn met de feiten. Daarbij is van belang dat bij Defensie sprake is van een sociaal onveilige werkomgeving voor verzoeker. Medische adviezen en overige meldingen/signaleringen die dit onderstrepen zijn door verweerder structureel genegeerd. Van een onttrekking kan om die reden dan ook geen sprake zijn. Voorts wijst hij erop dat ook de uitkering van zijn Individueel Keuze Budget (IKB) ten onrechte is geblokkeerd.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Awb alleen een voorlopige voorziening treft als onverwijlde spoed dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
5. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat de ongeoorloofde afwezigheid van verzoeker op 13 november 2025 is geëindigd. Verzoeker heeft zich namelijk op die datum ziekgemeld, waarna de bedrijfsarts op 20 november 2025 heeft geoordeeld dat bij hem sprake is van ziekte en/of gebrek en dat er op dat moment geen arbeidsmogelijkheden waren als gevolg van beperkingen op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren. Ter ondersteuning hiervan heeft verweerder medische stukken ingebracht. Dit betekent dat verzoeker per 13 november 2025 weer zijn volledige bezoldiging ontvangt en slechts sprake is van een verlies aan inkomsten in de periode van 16 oktober 2025 tot 13 november 2025. Met verweerder acht de voorzieningenrechter het op grond van het voorgaande niet aannemelijk dat verzoeker door het besluit in acute financiële nood zal gaan verkeren. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat verzoeker de door verweerder ingenomen stellingen op dit onderdeel niet heeft betwist. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat spoedeisend belang in dit geval ontbreekt.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 96 van Pro het Wetboek van Militair Strafrecht.
2.Op grond van artikel 18 van Pro het IBM.