Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:26876

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25/8184
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 37 Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APKArt. 87a Wegenverkeerswet 1994Art. 90 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking APK-keuringsbevoegdheid wegens overschrijding cusumstand

Verzoekster, een erkend APK-keuringsbedrijf, kreeg op 31 oktober 2024 de keuringsbevoegdheid voor voertuigen tot 3500 kg voor zes weken ingetrokken vanwege overschrijding van de maximale cusumstand van 10 punten na een steekproefherkeuring waarbij een gebroken onderdeel werd geconstateerd.

Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat door verweerder ongegrond werd verklaard. Verzoekster stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Verweerder schortte de werking van het bestreden besluit op totdat uitspraak werd gedaan.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster onvoldoende spoedeisend belang had, omdat het besluit slechts een korte periode betreft, geen acute financiële nood is aangetoond, en er voldoende alternatieven in de omgeving zijn voor APK-keuringen. Ook was het beleid omtrent de intrekking duidelijk en gunstig voor verzoekster.

Daarnaast was het besluit niet evident onrechtmatig; de verklaring van de steekproefcontroleur heeft sterke bewijskracht en de door verzoekster overgelegde afbeelding bood onvoldoende grond om dit te betwijfelen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder griffierechtvergoeding.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de APK-keuringsbevoegdheid wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8184

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2025 in de zaak tussen

[bedrijf] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. H.J.G. Dudink),
en

de directie van de RDW, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Schokker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak over het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoekster heeft ingediend hangende het door haar ingediende beroep tegen de beslissing van verweerder om het bezwaar van verzoekster tegen de intrekking van haar keuringsbevoegdheid APK voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg voor de duur van zes weken ongegrond te verklaren.
1.1.
Met het primaire besluit van 31 oktober 2024 heeft verweerder besloten om de keuringsbevoegdheid APK van verzoekster voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg voor de duur van zes weken in te trekken. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 op het bezwaar van verzoekster is verweerder daarbij gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op de ingediende voorziening gereageerd met een verweerschrift. Daarbij heeft verweerder aangegeven de werking van het bestreden besluit op te schorten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
1.3.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang bij verzoekster. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster betreft een erkend bedrijf dat onder meer APK-keuringen bij motorrijtuigen verricht. Op 16 oktober 2024 heeft verweerder een steekproefherkeuring van het voertuig met kenteken [kenteken] verricht en daarbij een misser geconstateerd die betrekking had op een gebroken of gescheurd onderdeel van de stuurinrichting. Voor deze misser heeft verzoekster een cusumbijdrage van 3,3 punten gekregen. Dit opgeteld bij de cusumstand die op dat moment al 8,9 punten bedroeg, maakt dat na de steekproefherkeuring sprake was van een cusumstand van in totaal 12.2 punten. Daarmee heeft verzoekster de maximale cusumstand van 10 overschreden. Om die reden heeft verweerder de APK-keuringsbevoegdheid van verzoekster voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg voor de duur van zes weken ingetrokken.
Wat zijn de regels?
3. Op grond van artikel 87a, tweede lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94) kan verweerder een bevoegdheid intrekken of wijzigen indien degene aan wie de bevoegdheid is verleend in strijd met de eisen of regels een keuringsbewijs afgeeft voor een motorrijtuig of een aanhangwagen.
3.1.
Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK is bepaald dat indien een systeem van bonus- en strafpunten is vastgesteld, aan de hand daarvan door verweerder wordt beoordeeld, afhankelijk van de resultaten van het uitgeoefende toezicht, of het toezicht wordt verminderd of verscherpt dan wel of een erkenning of een keuringsbevoegdheid wordt gewijzigd of ingetrokken.
3.2.
In het Cusumsysteem Keurmeester APK 2017 is het cusumsysteem vastgelegd. Uit artikel 2 blijkt Pro dat het Cusumsysteem Keurmeester APK wordt toegepast bij herkeuringen ten behoeve van het meten van de door de keurmeester geleverde kwaliteit bij het toepassen van de keuringseisen. Uit artikel 4 volgt Pro onder meer dat de maximale cusumstand 10 bedraagt.
3.3.
In de Toezichtbeleidsbrief RDW 2021, meer specifiek in de bijlage APK Keurmeester 2023 staat het stroomschema van overtredingen en sanctionering dat wordt gebruikt bij het cusumsysteem. Hieruit volgt dat in het geval van een eerste overtreding binnen 24 maanden en bij een overschrijding van cusumstand 10 een intrekking van de keuringsbevoegdheid APK van zes weken volgt.
Wat vindt verzoekster?
4. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en gelijktijdig de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Over het spoedeisend belang geeft verzoekster aan dat zij door het besluit financieel zal worden getroffen. Haar bedrijfsvoering bestaat namelijk voor een aanzienlijk gedeelte uit het verrichten van APK-keuringen. Ook vreest zij dat klanten niet meer bij haar zullen terugkeren als het besluit wordt geëffectueerd. Tegelijkertijd lopen de kosten die het voeren van het bedrijf met zich meebrengt wel gewoon door. Voorts lijkt verweerder een willekeurig beleid te hanteren voor wat betreft de ingang van de intrekking van de APK-keuringsbevoegdheid. Verzoekster zelf heeft hier in ieder geval geen inspraak in. De als gevolg hiervan ontstane onzekerheid heeft evenzeer een ongunstige invloed op haar bedrijfsvoering. Verder stelt verzoekster in dit verband aan de orde dat zich in de nabije omgeving geen APK-keurmeester bevindt die het gat dat verzoekster in de betreffende periode achterlaat kan opvullen.
Ten tweede betoogt verzoekster dat geen sprake was van een overtreding. Uit een door haar ingebrachte afbeelding blijkt namelijk dat geen sprake is van een scheur in het fusseestuk, zoals verweerder heeft gesteld. Te zien is slechts een uitschieter van een monteur met een haakse slijper.
Over de gemaakte belangenafweging voert verzoekster aan dat verweerder geen oog heeft gehad voor het feit dat bij verzoekster sprake is van een grote mate van specialisatie.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Awb alleen een voorlopige voorziening treft als onverwijlde spoed dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
5.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster onvoldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft geen stukken ingebracht die aannemelijk maken dat haar voortbestaan door het besluit in gevaar zal komen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter ook mee dat een deel van het besluit al is geëffectueerd en het daarom nog slechts gaat om een periode van 17 werkdagen. Overigens is ook niet gebleken dat verzoekster door het gedeelte van het besluit dat al is geëffectueerd (13 werkdagen) in de financiële problemen is geraakt. Voorts is van belang dat verzoekster tijdens de bezwaarprocedure zelf heeft aangegeven dat zij de keuringswerkzaamheden kan voortzetten bij de buren. Dat er geen andere keurmeesters in de nabije omgeving zouden zijn die de APK-keuringen van verzoekster in de betreffende periode kunnen overnemen, volgt de rechtbank niet. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, blijkt uit Google Maps juist dat zich in de buurt van verzoekster meerdere garages bevinden die APK-keuringen verrichten. Tot slot is de voorzieningenrechter het met verweerder eens dat het beleid omtrent de ingangsdatum van de intrekking van de APK-keuringsbevoegdheid voldoende duidelijk is en bovendien juist gunstiger uitpakt voor verzoekster omdat de geldende regelgeving erin voorziet dat het besluit uit coulance pas twee weken na het nemen van de beslissing op bezwaar wordt geëffectueerd. Daar komt dus nog bovenop dat verweerder in deze zaak de werking van de beslissing op bezwaar heeft opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
Evident onrechtmatig besluit
6. De door verzoeker gevraagde voorziening kan, nu spoedeisend belang ontbreekt, alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Dit houdt in dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval echter geen sprake. In dat kader is van belang dat uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat in beginsel van de juistheid van een verklaring van een steekproefcontroleur mag worden uitgegaan en aan de inhoud van een dergelijke verklaring een sterke bewijskracht toekomt. [1] In de door verzoekster overlegde afbeelding ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten om de verklaring van de steekproefcontroleur terzijde te schuiven, alleen al omdat onduidelijk is wanneer de afbeelding is gemaakt en wat daarop is te zien. Bovendien heeft verweerder in het verweerschrift gesteld dat uit navraag bij de steekproefcontroleur is gebleken dat de afbeelding niet het afkeurpunt weergeeft. Als verzoekster het niet eens was met de constatering van de steekproefcontroleur, dan lag het op haar weg om direct een second opinion aan te vragen [2] zodat dit terstond had kunnen worden nagegaan. De gevolgen van het nalaten hiervan komen voor rekening en risico van verzoekster.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (Afdeling) van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1648.
2.Als bedoeld in artikel 90, eerste lid, van de WVW94.