ECLI:NL:RBDHA:2025:26864

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25/7331
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Huisvestingswet 2014Art. 2:3 Huisvestingsverordening Den Haag 2023Art. 7:268 BWArt. 2:4 Huisvestingsverordening Den Haag 2023Art. 7:3 Huisvestingsverordening Den Haag 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening huisvestingsvergunning wegens niet voldoen passendheidseisen

Verzoekster, een Oekraïense vrouw die sinds maart 2022 in Nederland verblijft, woont sinds mei 2022 met haar dochter in een woning waarvan haar overleden partner de huurder was. Na het overlijden van haar partner in maart 2025 wil zij de huurovereenkomst overnemen, maar de verhuurder weigert medewerking. Verzoekster startte een civiele procedure om de overname af te dwingen en vroeg gelijktijdig een huisvestingsvergunning aan bij verweerder.

Verweerder nam de aanvraag aanvankelijk niet in behandeling wegens ontbrekende documenten, maar voerde vervolgens een toets uit en concludeerde dat verzoekster niet voldoet aan de passendheidseisen, met name omdat zij en haar dochter niet beschikken over een rechtmatig verblijfsdocument en niet is aangetoond dat zij een duurzaam gemeenschappelijk huishouden voerde met haar overleden partner. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om voor de civiele zitting een vergunning te verkrijgen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van spoedeisend belang vanwege de lopende civiele procedure, maar dat het verzoek te ver gaat omdat het verlenen van een huisvestingsvergunning een discretionaire bevoegdheid is en geen voorlopige voorziening kan worden getroffen. Tevens is het niet voldoen aan de passendheidseisen terecht vastgesteld door verweerder. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en benadrukt dat de beoordeling van bijzondere omstandigheden beter in de bezwaarprocedure kan plaatsvinden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekster niet voldoet aan de passendheidseisen voor een huisvestingsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7331

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Pearson),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Bloem).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de brief van verweerder van 5 augustus 2025 met daarin de mededeling dat verzoekster niet voldoet aan de passendheidseisen voor een huisvestingsvergunning. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde, E. Unguya (tolk van verzoekster) en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft de Oekraïense nationaliteit en verblijft sinds 27 maart 2022 in Nederland. Sinds 11 mei 2022 woont zij met haar dochter [naam 1] (hierna: de dochter) in de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Zij zijn daar ingetrokken bij de heer [naam 2] (hierna: de partner), die verzoekster heeft leren kennen via internet en met wie ze uiteindelijk een liefdesrelatie heeft gekregen. De partner huurde de woning van [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: de verhuurder) en staat ook als enige huurder vermeld op de huurovereenkomst. Op 23 maart 2025 is de partner van verzoekster overleden. Verzoekster heeft de wens om samen met haar dochter in de woning te blijven wonen en heeft daarom aan de verhuurder verzocht om de huurovereenkomst van haar overleden partner over te nemen. De verhuurder weigert echter om hier zijn medewerking aan te verlenen, reden waarom verzoekster een civiele procedure is gestart om de overname van de huurovereenkomst op die manier af te dwingen. De mondelinge behandeling hiervan vindt plaats op 11 november 2025. Omdat de civiele rechter haar vordering in ieder geval afwijst als zij niet beschikt over een huisvestingsvergunning [1] , heeft zij hiervoor op 10 juni 2025 bij verweerder een aanvraag ingediend.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag aanvankelijk niet in behandeling genomen omdat hierbij een volledige kopie van haar huurovereenkomst, dan wel een door verzoekster en de verhuurder ondertekende eigenaarsverklaring ontbrak. [2] Toen verzoekster te kennen gaf dat dit niet mogelijk is omdat de huurovereenkomst niet op haar naam staat en de verhuurder niet wil meewerken aan de overname hiervan, heeft verweerder de aanvraag in behandeling genomen als zijnde een onvolledige aanvraag en een ‘toets voorwaarden huisvestingsvergunning’ uitgevoerd. Met de brief van 5 augustus 2025 heeft verweerder de uitkomsten van deze toets aan verzoekster medegedeeld. Verzoekster voldoet niet aan de passendheidseisen omdat zij en haar dochter niet beschikken over een rechtmatig verblijfsdocument en niet is aangetoond dat verzoekster met haar overleden partner een duurzaam gemeenschappelijk huishouden voerde. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het al dan niet voeren van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden niet van belang is bij de vraag of een woningzoekende in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning en daarom niet meer als voorwaarde aan verzoekster wordt tegenworpen.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 5 augustus 2025 en, gelet op het feit dat de mondelinge behandeling van de civiele procedure plaatsvindt op 11 november 2025, gelijktijdig de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd. Primair verzoekt verzoekster de voorzieningenrechter om het besluit te schorsen en te bepalen dat zij nog vóór 11 november 2025 in het bezit wordt gesteld van een huisvestingsvergunning. Subsidiair verzoekt zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat de voorwaarde van rechtmatig verblijf in Nederland gelet op de bijzondere omstandigheden in deze zaak niet aan haar mag worden tegengeworpen. [3]
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
4.1.
Dat verzoekster gelet op de lopende civiele procedure belang heeft bij een oordeel over de vraag of zij in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning, wordt door verweerder niet betwist. Nu de mondelinge behandeling van deze civiele procedure op 11 november 2025 plaatsvindt en verweerder op zitting heeft aangegeven dat waarschijnlijk pas half december op haar bezwaar zal worden beslist, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed waardoor verzoekster niet op de beslissing op het door haar ingediende bezwaarschrift kan wachten.
Primaire verzoek
4.2.
Voor zover verzoekster verzoekt een voorziening te treffen, waarbij zij in het bezit wordt gesteld van een huisvestingsvergunning, dan strekt dit verzoek te ver. Allereerst omdat verweerder in het bestreden besluit enkel heeft getoetst of verzoekster voldoet aan de passendheidseisen voor een huisvestingsvergunning en niet als een aanvraag om een huisvestingsvergunning heeft behandeld.
4.3.
Daarnaast heeft het verlenen van een huisvestingsvergunning geen voorlopig karakter. Daar komt bij dat het verlenen van een huisvestingsvergunning een bevoegdheid is die aan verweerder toekomt en verweerder heeft daarbij beoordelingsruimte. Gelet hierop is er in dit geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen ruimte voor het treffen van deze gevraagde voorziening.
Heeft verweerder kunnen besluiten dat verzoekster niet voldoet aan de passendheidseisen voor een huisvestingsvergunning?
5. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 kan de gemeenteraad categorieën woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mogen worden genomen of gegeven indien daarvoor geen huisvestingsvergunning is verleend. Ingevolge artikel 2:3, tweede lid, van de Huisvestingsverordening komen woningzoekenden slechts in aanmerking voor een huisvestingsvergunning als alle leden van het huishouden de Nederlandse nationaliteit bezitten of rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van artikel 8, onder a tot en met e of onder l van de Vreemdelingenwet 2000.
5.1.
Verzoekster en haar dochter verblijven in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Tussen partijen is niet in geschil dat deze verblijfsstatus geen rechtmatig verblijf betreft in de zin van artikel 8, onder a tot en met e of onder 1 van de Vreemdelingenwet 2000. Het betreft immers een verblijfsrecht zoals bedoeld in artikel 8, onder f, van de Vreemdelingenwet 2000. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder dan ook kunnen besluiten dat verzoekster niet aan de passendheidseisen voor een huisvestingsvergunning voldoet. Het treffen van een voorziening waarbij gelet op de bijzondere omstandigheden in deze zaak over de in artikel 2:3, tweede lid, van de Huisvestingsverordening genoemde voorwaarde heen wordt gestapt, merkt de voorzieningenrechter eveneens aan als te verstrekkend. Nu verweerder op grond van een volledige heroverweging een beslissing moet nemen op haar bezwaarschrift, is de beantwoording van die vraag bij uitstek geschikt voor de bezwaarprocedure.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
De beslissing is aan partijen medegedeeld op 7 november 2025 en op 18 november 2025, tezamen met de motivering hiervan, in het openbaar uitgesproken.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 7:268, derde lid, onder c, van het Burgerlijk Wetboek.
2.Op grond van artikel 2:4, eerste en tweede lid, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (de Huisvestingsverordening).
3.Op grond van artikel 7:3 van Pro de Huisvestingsverordening.