ECLI:NL:RBDHA:2025:26844

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL25.19998
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning en beoordeling van familie- of gezinsleven in het kader van artikel 8 EVRM

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 8 december 2025 uitspraak gedaan over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser door de minister van Asiel en Migratie. De minister heeft de verblijfsvergunning ingetrokken omdat er geen sprake meer zou zijn van familie- of gezinsleven met de referente. Eiser is het niet eens met deze beslissing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar eiser en zijn gemachtigde zich afmeldden.

De rechtbank oordeelt dat de minister de verblijfsvergunning niet ten onrechte heeft ingetrokken, maar dat het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek bevat. De rechtbank vernietigt het besluit voor zover niet is beoordeeld of er sprake is van familie- of gezinsleven met de nieuwe partner van eiser. De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat de minister het gebrek heeft hersteld in het verweerschrift. De rechtbank concludeert dat de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan die van eiser, en dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met het recht op privéleven.

De rechtbank heeft de minister veroordeeld tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser, omdat eiser geen griffierecht heeft betaald. De uitspraak is openbaar gemaakt op 8 december 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.19998
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Vreugdehil-Brock).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers verblijfsvergunning. De minister heeft de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken omdat er geen sprake (meer) is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.1 Eiser is het niet eens met dit besluit. De rechtbank beoordeelt aan de hand van eisers beroepsgronden of de minister eisers verblijfsvergunning ten onrechte heeft ingetrokken.

Procesverloop

2. Met het besluit van 22 mei 2023 heeft de minister eisers verblijfsvergunning voor ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] ’ ingetrokken per 19 oktober 2022. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 1 april 2025 heeft de minister de intrekking van de verblijfsvergunning gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep,2 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
1. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2 Zaak NL25.20001

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Eiser was in bezit van een verblijfsvergunning voor het doel ‘Verblijf als familie-of gezinslid bij [referente] ’. De minister heeft de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken omdat [referente] heeft gemeld dat de relatie is verbroken en eiser dit niet heeft betwist, waardoor er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
3.1.
Eiser heeft in bezwaar naar voren gebracht dat hij een nieuwe relatie heeft met mevrouw [persoon] (hierna: [persoon] ). De intrekking van zijn verblijfsvergunning levert volgens hem daarom een schending van artikel 8 van het EVRM op. De minister is het daar niet mee eens. Van eiser mag verwacht worden dat hij een aanvraag indient voor verblijf bij [persoon] . Artikel 8 van het EVRM verplicht de overheid namelijk niet tot het verlenen van een verblijfsvergunning op die grond als mogelijkheden om op nationale gronden verblijf te krijgen een reële optie vormen. Daarnaast heeft de verblijfsvergunning niet als doel om verblijf bij een ander mogelijk te maken. De minister handhaaft daarom het standpunt dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met het recht op familie- of gezinsleven. De minister stelt verder dat de intrekking niet in strijd is met het recht op privéleven. Volgens de minister wegen de belangen van de Nederlandse staat zwaarder dan het belang van eiser om zijn privéleven in Nederland uit te oefenen.
Standpunten van eiser
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de door de minister in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakte belangenafweging niet deugdelijk is. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er geen zwaarder gewicht is toegekend aan de belangen van eiser, aangezien hij een familie- en privéleven heeft opgebouwd tijdens zijn rechtmatig verblijf en hij erop mocht vertrouwen dat hij zijn banden in Nederland kon intensiveren. Daarnaast heeft eiser inmiddels een duurzame en exclusieve relatie met [persoon] . Eiser erkent dat deze nieuwe relatie niet hetzelfde verblijfsdoel heeft, maar dat neemt niet weg dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning vanwege zijn huidige relatie in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verder stelt eiser dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het economisch welzijn van Nederland in geding zou zijn en dat de minister ten onrechte stelt dat zijn strafrechtelijke veroordeling er op duidt dat hij geen respect heeft voor de Nederlandse normen en waarden en dat eisers banden met Nederland beperkt zouden zijn.
Familie- of gezinsleven
5. Eiser heeft erkend dat de relatie met referente [referente] voorbij is. Er wordt daardoor niet voldaan aan de beperking van de verblijfsvergunning. De minister is dan bevoegd om de verblijfsvergunning in te trekken. Voordat de minister daadwerkelijk overgaat tot intrekking van de verblijfsvergunning, dient beoordeeld te worden of de intrekking in strijd is met het recht op familie- of gezinsleven en het recht op privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister heeft in het bestreden besluit ten onrechte niet beoordeeld of er sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en [persoon] . Dit levert een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek op.
5.1.
De rechtbank komt echter tot het oordeel dat de minister dat gebrek heeft hersteld met de aanvullende motivering in het verweerschrift. De minister heeft zich in het
verweerschrift op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat familie- of gezinsleven bestaat met [persoon] . Eiser stelt dat de relatie met [persoon] is ontstaan in september 2022. Kort daarna, op 20 oktober 2022, is eiser gedetineerd. Tussen eiser en [persoon] was geen sprake van een partnerrelatie die werd ingevuld op een wijze vergelijkbaar met een huwelijk, waardoor de minister niet op die grond heeft hoeven aannemen dat er sprake was van gezinsleven. Daarnaast hebben zij niet samengewoond, wat een aanwijzing is dat er niet in voldoende mate feitelijk invulling wordt gegeven aan het gezinsleven. De minister stelt niet ten onrechte dat de enkele bezoeken van [persoon] aan eiser en de overige overgelegde stukken onvoldoende zijn om tot een andere conclusie te komen. Verder heeft de minister erop gewezen dat uit het advies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling van eiser (het v.i.-verslag) blijkt dat de relatie verbroken is. De rechtbank overweegt dat de minister, gelet op deze omstandigheden, niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van familie of gezinsleven met [persoon] . Overigens heeft de gemachtigde van eiser met de brief van 28 oktober 2025 aan de rechtbank laten weten dat eiser bevestigt dat de relatie (kennelijk op enig moment in het verleden) is verbroken.
Privéleven
6. De minister stelt niet ten onrechte dat de intrekking van de verblijfsvergunning ook niet in strijd is met het recht op privéleven. De minister erkent dat eiser een privéleven heeft opgebouwd, maar stelt zich op het standpunt dat de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan het belang van eiser. De minister heeft in dat kader alle relevante belangen en omstandigheden betrokken. De minister heeft betrokken dat eiser ruim drie jaar in Nederland woont, waarvan hij ongeveer één jaar in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning. Eiser heeft in deze korte periode een privéleven opgebouwd maar dat maakt niet dat hij recht heeft op een verblijfsvergunning. De minister heeft daar bij betrokken dat eiser sinds eind 2022 in detentie verbleef. Daarnaast stelt de minister dat het belang van eiser om zijn privéleven in Nederland uit te oefenen niet opweegt tegen het belang van de Nederlandse overheid om het economisch welzijn van Nederland te beschermen. Het weegt in eisers nadeel dat hij niet meer voldoet aan de beperkingen van zijn verblijfsvergunning, dat het kostbaar is voor de Nederlandse overheid dat eiser vervolgd en veroordeeld is voor een strafbaar feit, dat eiser een beroep doet op algemene publieke middelen, dat zijn strafrechtelijke veroordeling er op duidt dat hij geen respect heeft voor de Nederlandse normen en waarden en dat de banden met Nederland beperkt zijn. Verder stelt de minister dat de gestelde omstandigheden waarom eiser niet naar Egypte zou kunnen terugkeren, beoordeeld moeten worden in de asielprocedure en dat niet is gebleken dat eiser in Egypte geen medische zorg kan krijgen voor zijn PTSS. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee deugdelijk gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse staat zwaarder dienen te wegen dan het belang van eiser om zijn privéleven in Nederland uit te oefenen. De minister stelt zich daarom niet ten onrechte op het standpunt dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met het recht op privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft eisers verblijfsvergunning niet ten onrechte ingetrokken. Het beroep is toch gegrond, omdat het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover niet is beoordeeld of er sprake is van familie- of gezinsleven met [persoon] . De rechtbank laat
de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het gebrek heeft hersteld, zoals hiervoor onder 5.1 is overwogen.
7.1.
Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 907,-omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister tot een betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.