ECLI:NL:RBDHA:2025:26805

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/693627 / FA RK 25-8078
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgregeling en gezagsgeschil tussen ouders na echtscheiding

Op 11 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zorgregeling en gezagsgeschil tussen de ouders van twee minderjarige kinderen. De vader verzocht om een wijziging van de zorgregeling, waarbij de kinderen in zijn hoofdverblijf zouden komen te wonen. De moeder voerde verweer en vroeg om vervangende toestemming voor inschrijving van de kinderen op haar adres en voor hun aanmelding bij een buitenschoolse opvang. De rechtbank heeft de zaak behandeld op basis van het verzoekschrift en het verweerschrift, waarbij beide partijen aanwezig waren met hun advocaten. De rechtbank oordeelde dat de huidige zorgregeling, zoals vastgelegd in het ouderschapsplan, in het belang van de kinderen is en dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden die een aanpassing rechtvaardigen. De rechtbank wees het verzoek van de vader af en verleende de moeder toestemming voor de inschrijving van de kinderen op haar adres en bij de buitenschoolse opvang. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de vader is verplicht om mee te werken aan het ouderschapsplan. De uitspraak is gedaan door kinderrechter A.M. Brakel, bijgestaan door griffier L.E. Visser.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8078
Zaaknummer: C/09/693627
Datum beschikking: 11 december 2025

Zorgregeling en gezagsgeschil

Beschikking op het op 27 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Engwegen te Echt .

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
-het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek
Op 11 december 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten en de heer [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De rechtbank heeft op 11 december 2025 mondeling uitspraak gedaan op grond van artikel 29a lid 4 en 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze beschikking is de schriftelijke uitwerking daarvan.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt:
  • te bepalen dat de kinderen in de huidige woonsituatie van de moeder te [plaats 1] hun hoofdverblijf bij de vader te [plaats 2] zullen hebben;
  • te bepalen dat, in de huidige woonsituatie van de moeder te [plaats 1] , er sprake zal zijn van een regeling tussen de moeder en de kinderen waarbij de kinderen gedurende één weekend per veertien dagen bij de moeder verblijven van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur waarbij de moeder de kinderen op zaterdag naar de voetbalwedstrijden zal brengen en ophalen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer. Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:
  • te bepalen dat aan haar vervangende toestemming zal worden verleend voor de inschrijving van [minderjarige 2] op haar adres in de basisregistratie personen en voorts zal bepalen dat de in dezen te wijzen beschikking in de plaats treedt van de benodigde handtekening van de man op het inschrijfformulier;
  • te bepalen dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan het ouderschapsplan, welk is opgenomen in de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 11 september 2024, gewezen onder zaaknummers 200.318.060/01 en 200.318.067.01, overeengekomen zorg- en contactregeling, waarbij de kinderen de ene week bij de vrouw zullen verblijven en de andere week bij de man en waarbij het wisselmoment zal plaatsvinden op vrijdag na school, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00, althans op straffe van verbeurte van een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of deel hiervan dat de man niet aan de beschikking voldoet, althans een in goede justitie te bepalen beslissing zal nemen;
  • te bepalen dat aan haar vervangende toestemming zal worden verleend voor inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [BSO] , locatie [locatie] , en voorts zal bepalen dat de in dezen te wijzen beschikking in de plaats treedt van de benodigde handtekening van de man op het aanmeldformulier;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2016 tot [datum 2] 2024.
  • Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.
- Deze rechtbank heeft op 12 juli 2021 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
- de vader bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] ;
- de kinderen aan de moeder zullen worden toevertrouwd;
- een voorlopige zorgregeling is vastgesteld waarbij de kinderen elke week van vrijdag 12.00 uur tot maandag 12.00 uur bij de vader verblijven, en de vader de kinderen op vrijdag ophaalt bij de moeder en de moeder de kinderen op maandag ophaalt bij de vader.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 18 juli 2022 is, voor zover hier van belang:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- de verzoeken van de moeder om vervangende toestemming voor een verhuizing van de kinderen naar [plaats 3] , voor aanmelding van de kinderen bij een huisarts in [plaats 3] en voor aanmelding van [minderjarige 1] bij de basisschool [schoolnaam] in [plaats 3] afgewezen;
- bepaald dat de kinderen de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
- een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader verblijven: zolang de moeder geen woning in de regio van het woonadres van de vader heeft: van vrijdag 12.00 uur tot maandag 12.00 uur; zodra de moeder woonruimte heeft betrokken in de regio van het woonadres van de vader: drie weekenden per maand van vrijdag tot maandag bij de vader; de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te verdelen;
- bepaald dat de vader met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte te [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] .
- In deze beschikking is in het kader van de afwijzing van het verzoek om vervangende toestemming verhuizing, onder meer het volgende overwogen:

De rechtbank is van oordeel dat aan het belang van de vrouw om buiten de woonomgeving van de man te gaan wonen ook tegemoet kan worden gekomen indien zij in een straal van bijvoorbeeld 30 kilometer van het woonadres van de man gaat wonen. Zij woont dan buiten de directe woonomgeving van de man zodat zij afstand kan nemen van de situatie, maar ook wordt aan de belangen van de man en de kinderen tegemoet gekomen omdat de man dan in staat is een substantiële rol in het leven van de kinderen te spelen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de vrouw dan ook zo spoedig mogelijk te gaan wonen in een straal van 30 kilometer van het woonadres van de man.

- Bij beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 11 september 2024 is – voor zover hier van belang – :
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- het afschrift van het ouderschapsplan aan de beschikking gehecht.
- De ouders hebben in deze procedure tot echtscheiding in hoger beroep bij het Gerechtshof overeenstemming weten te bereiken en een ouderschapsplan opgesteld. Dit ouderschapsplan is door partijen ondertekend op 4 mei 2024. Zij hebben daarin onder meer en verkort weergegeven, het volgende afgesproken:
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats
De ouders zijn overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode dat de moeder in [plaats 4] (D) verblijft hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben. Zij zullen op zijn adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan.
Vanaf het moment dat de moeder terug is verhuisd naar de regio [plaats 2] , een en ander zoals is bepaald in de beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 juli 2022, zal [minderjarige 1] het hoofdverblijf bij de vader behouden en zal het hoofdverblijf van [minderjarige 2] worden gewijzigd naar de moeder. [minderjarige 1] zal derhalve vanaf dat moment op het adres van de vader in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan en [minderjarige 2] op het adres van de moeder.
Ten aanzien van de zorgregeling
Voor de periode dat de moeder in [plaats 4] (D) verblijft, zullen de kinderen één keer per veertien dagen gedurende het weekend van vrijdag 12.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de moeder zijn, waarbij de moeder de kinderen op vrijdag ophaalt en de vader de kinderen op zondag weer bij de moeder ophaalt.
Vanaf het moment dat de moeder in de regio [plaats 2] woont, zullen de kinderen de ene week bij de vader zijn en de andere week bij de moeder, waarbij het wisselmoment zal plaatsvinden op vrijdag na school.
- Bij vonnis in kort geding van 2 oktober 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is:
- bepaald dat de kinderen voorlopig ieder weekend van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur bij de moeder zijn;
- bepaald dat de moeder iedere woensdag rond 15.00 / 15.30 uur telefonisch contact met de kinderen zal hebben.

Beoordeling

zorgregeling
De rechtbank stelt voorop dat nu de moeder is verhuisd naar een woning binnen een straal van 30 kilometer van het woonadres van de vader, de week-op week-af zorgregeling geldt zoals partijen die in mei 2024 hebben afgesproken en neergelegd in het ouderschapsplan.
Op grond van artikel 1:253a, vierde lid, in samenhang met artikel 1:377e, eerste lid, BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. Dat de vader op loopafstand van de basisschool van de kinderen woont, dat hij zijn werktijden heeft aangepast, de kinderen niet naar de BSO gaan en dat de kinderen inmiddels voetballen bij [voetbalclub] , zijn geen omstandigheden die wezenlijk anders zijn dan ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan. Bovendien gaat naleving van de afgesproken zorgregeling niet in tegen het belang van de kinderen. De moeder heeft haar leven goed georganiseerd en in verband met deze regeling afspraken gemaakt met haar werkgever, onder meer om op de woensdagen vrij te zijn zodat zij de kinderen kan begeleiden naar buitenschoolse activiteiten zoals voetbal. Dat de moeder in de toekomst twee middagen per week gebruik zal maken van de BSO, is een keuze die de moeder mag maken en niet valt in te zien waarom die keuze wijziging van de zorgregeling zou rechtvaardigen. Het belang van de kinderen dat hun moeder een volwaardige rol als opvoeder heeft, weegt op tegen het nadeel dat de moeder verder weg woont. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat de omstandigheid dat de moeder niet in de woonplaats van de vader wil wonen, voortkomt uit de situatie dat sprake is geweest van een huwelijk waarbij de vrouw huiselijk geweld van de vader jegens haar ervaren heeft en waarvoor hij ook strafrechtelijk is veroordeeld.
De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vader af en het verzoek van de moeder toe. De rechtbank wijst ook toe de door de moeder verzochte dwangsom, omdat daartegen geen verweer is gevoerd. De rechtbank ziet wel aanleiding om de dwangsom ambtshalve te matigen.
hoofdverblijfplaats en buitenschoolse opvang
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder voor vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige 2] op haar adres toe. Partijen hebben dit afgesproken in het ouderschapsplan. Dat wijziging van het BRP-adres nadelige gevolgen heeft voor de inschrijving van [minderjarige 2] bij de huisarts en tandarts, in die zin dat hij niet langer ingeschreven kan blijven bij de huisarts en tandarts waar de vader en [minderjarige 1] ingeschreven staan, is niet gebleken. Voor zover daarvan wel sprake is, valt niet in te zien dat het voor [minderjarige 2] nadelig is om ingeschreven te worden bij een huisarts en tandarts in de buurt van zijn nieuwe BRP-adres.
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder voor inschrijving op de BSO toe, nu de vader zich daartegen verzet en de moeder deze BSO mogelijk nodig zal hebben in de weken dat de kinderen bij haar zijn.

Beslissing

De rechtbank, met betrekking tot de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2]
*
bepaalt dat de vader zijn medewerking dient te verlenen aan het ouderschapsplan, welk is opgenomen in de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 11 september 2024, gewezen onder zaaknummers 200.318.060/01 en 200.318.067.01, overeengekomen zorg- en contactregeling, waarbij de kinderen de ene week bij de moeder zullen verblijven en de andere week bij de vader en waarbij het wisselmoment zal plaatsvinden op vrijdag na school, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00, voor iedere dag of deel hiervan dat de vader niet aan de beschikking voldoet;
*
verleent de moeder toestemming, welke de toestemming van de vader vervangt, om [minderjarige 2] in te doen schrijven op haar adres in de basisregistratie personen en bepaalt dat deze beschikking in de plaats treedt van de benodigde handtekening van de vader op het inschrijfformulier;
*
verleent de moeder toestemming, welke de toestemming van de vader vervangt, voor inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [BSO] , locatie [locatie] , en bepaalt dat deze beschikking in de plaats treedt van de benodigde handtekening van vader man op het aanmeldformulier;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2025.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 15 december 2025.