Uitspraak
Alimentatie
Beschikking op het op 10 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
[de man] ,
Procedure
- het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 10 juni 2025;
- het verweerschrift van de zijde van de man, ingekomen op 4 augustus 2025;
- het bericht van 11 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
- de brief van 18 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;
- het bericht van 19 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.
Feiten
Verzoek en verweer
Beoordeling
€ 56.909,-. Voor 2020 werd toen een salaris van € 46.000,- verwacht. Uit de in de onderhavige procedure door de vrouw overgelegde jaarstukken blijken de volgende loonkosten: € 92.040,- (2020), € 91.961,- (2021) en € 93.366,- (2022). De rechtbank gaat ervan uit dat enkel de man als directeur-grootaandeelhouder salaris uit de holding ontving en concludeert dan ook dat het salaris van de man in 2020 en de jaren daarna niet substantieel lager was dan het salaris waarvan is uitgegaan in de beschikking van
29 november 2017 (€ 97.967,-).
€ 1.948,- per maand. Uit de aan deze beschikking gehechte berekening blijkt dat de man uitgaande van een salaris van € 97.967,- per jaar, een dividenduitkering van € 83.333,- per jaar en kosten van de kinderen van € 1.948,- per maand nog steeds in staat is om de bij beschikking van 29 november 2017 vastgestelde partneralimentatie te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is er gezien de onduidelijkheid over de vermogenspositie van de man geen reden om bij de berekening van de draagkracht van de man rekening te houden met extra lasten vanwege de aflossing op schulden.