In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 19 december 2025 een beschikking gegeven in een verzoek tot wijziging van kinderalimentatie en zorgregeling. De vader, vertegenwoordigd door mr. S.C. Meijler, verzocht om een verlaging van de kinderalimentatie voor zijn twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], en om de invoering van een gezamenlijke kinderrekening. De moeder, vertegenwoordigd door mr. G.V. van der Bom, voerde verweer tegen deze verzoeken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader momenteel € 263 per kind per maand dient te betalen, na indexering van de eerder vastgestelde alimentatie. De vader stelde dat zijn financiële situatie was verslechterd, maar de rechtbank oordeelde dat hij voldoende draagkracht had om de huidige alimentatie te blijven betalen. De rechtbank weigerde ook het verzoek om een gezamenlijke kinderrekening, omdat er geen overeenstemming tussen de ouders was over de uitvoering hiervan. De rechtbank benadrukte het belang van samenwerking tussen de ouders voor het welzijn van de kinderen. Uiteindelijk heeft de rechtbank de verzoeken van de vader afgewezen, waarbij de bestaande alimentatie en zorgregeling in stand zijn gehouden.