ECLI:NL:RBDHA:2025:26762

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/695011 / KG ZA 25-1159
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling vader en minderjarige na beëindiging relatie

De rechtbank Den Haag behandelde een kort geding over een voorlopige omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind na het beëindigen van hun relatie. De vader vorderde een regeling waarbij hij het kind regelmatig en onbemand zou kunnen zien, terwijl de moeder vreesde voor de veiligheid van het kind vanwege het gedrag van de vader en wilde een begeleide omgang of videobellen.

De moeder stelde dat de vader niet stabiel genoeg was en dat omgang alleen onder toezicht veilig zou zijn. De vader ontkende dit en wilde een regeling die zijn vaderrol respecteerde. De rechtbank oordeelde dat de moeder onvoldoende bewijs had geleverd voor onveilige situaties en dat het belang van het kind gebaat is bij contact met de vader zonder toezicht.

De rechtbank stelde een omgangsregeling vast waarbij het kind iedere woensdag na school tot 19.00 uur en om de veertien dagen in het weekend bij de vader verblijft, met een leesouderfunctie voor de vader op school. Ook werden specifieke dagen in de kerstvakantie toegewezen. De kosten van de procedure werden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling vast waarbij het kind wekelijks op woensdag en om de veertien dagen in het weekend bij de vader verblijft, met leesoudercontact op school.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/695011 / KG ZA 25-1159
Vonnis in kort geding van 19 december 2025
in de zaak van
[de vader]te [woonplaats],
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
advocaat mr. B.S. van Haeften te Den Haag,
tegen:
[de moeder]te op een bij de rechtbank bekend adres,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat mr. C.M. Emeis te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (1 t/m 6);
- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met producties (D1 t/m D4, D8, D9, D10 en D12);
- de door de vader op 12 december 2025 overgelegde producties (A en B);
- de op 16 december 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de vader pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Op 19 december 2025 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 16 januari 2026.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats]. De vader heeft [minderjarige] erkend en de moeder heeft van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige]. [minderjarige] verblijft bij de moeder.
2.2.
De situatie tussen partijen is al langere tijd onrustig. Tussen partijen spelen diverse conflicten en de vader heeft begin februari 2025, op verzoek van de vrouw, de woning verlaten. Partijen hebben geprobeerd om in mediation afspraken met elkaar te maken over de omgang, maar dat is niet gelukt.
2.3.
Sinds oktober 2025 heeft er geen omgang meer plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige].

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vader vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven:
primair:een voorlopige omgangsregeling met [minderjarige] vast te stellen, waarbij [minderjarige] bij de vader is:
- in de eerste 2 weken van de maand: iedere zondag van 8.30 uur tot 19.00 uur en ook iedere woensdag na school tot donderdag naar school en in de weken 3 en 4 van de maand iedere zaterdag van 17.00 uur tot zondag 19.00 uur en ook iedere woensdag na school tot donderdag naar school, waarbij de vader [minderjarige] haalt en weer bij de moeder terugbrengt,
dan wel: iedere woensdag uit school tot en met donderdag naar school en ook een weekend in de veertien dagen van vrijdag uit school tot en met maandag naar school, waarbij de vader [minderjarige] haalt en weer terugbrengt bij de moeder, en
daarbij te bepalen dat de vader leesouder kan zijn en op dat moment contact kan hebben met [minderjarige];
  • in de kerstvakantie 2025: vanaf tweede kerstdag 10.00 uur tot einde van de kerstvakantie, althans tot en met 28 december 2025;
  • in de voorjaarsvakantie 2026
  • in de meivakantie 2026: tweede week
  • in de zomervakantie 2026: laatste drie weken,
subsidiair: een zodanige (voorlopige) opbouwregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige], waarbij [minderjarige] bij de vader is iedere woensdag na school tot donderdag naar school en om de week van vrijdag na school tot en met maandag naar school, en vakantie- en feestdagen regeling wordt vastgesteld door de rechtbank in goede justitie te bepalen.
3.2.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. Hij ziet [minderjarige] zeer minimaal en is daarbij afhankelijk van de moeder. Hij mag [minderjarige] alleen begeleid onder leiding van de moeder zien. Hierdoor wordt hij ernstig belemmerd om zijn vaderrol te kunnen vervullen en ook om een goede band met [minderjarige] te onderhouden. Dit terwijl hij tijdens de relatie wel frequent voor [minderjarige] zorgde. Het is van groot belang dat er zo spoedig mogelijk een (voorlopige) duidelijke omgangsregeling komt zodat partijen en [minderjarige] weten waar ze aan toe zijn en zodat er rust komt in de situatie. De moeder ontneemt de vader nu volledig zijn vaderrol en dat is niet in het belang van [minderjarige].
3.3.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4.
De moeder bepleit – zakelijk weergegeven – een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, of een onderzoek van een andere op dat gebied deskundige instantie, te gelasten naar de vraag welke omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is en wat er nodig is om contact tussen de vader en [minderjarige] veilig te laten plaatsvinden. De moeder heeft aangegeven dit onderzoek in de bodemprocedure te zullen verzoeken. De moeder vordert in de onderhavige procedure een tijdelijke contactregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige] in de vorm van videobellen.
3.5.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan.
De vader is niet stabiel (genoeg) om gedurende langere tijd alleen voor [minderjarige] te zorgen en zijn veiligheid en welbevinden te bewaken. Hij heeft last van agressieve uitbarstingen, waarbij hij zich weliswaar vooral tegen de moeder richtte, maar deze hebben ook plaatsgevonden in aanwezigheid van [minderjarige] die daarvan het nodige heeft meegekregen. De vader maakt zich ook schuldig aan wangedrag, bedreiging en stalking.
De moeder heeft onvoldoende vertrouwen dat onbegeleide omgang voldoende veilig is voor [minderjarige]. Het is noodzakelijk om eerst meer zicht te krijgen op de mentale gesteldheid van de vader en zijn pedagogische kwaliteiten, op de vraag of omgang in het belang van [minderjarige] is en onder welke voorwaarden dat dan kan gebeuren.
3.6.
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie
4.1.
Omdat de vorderingen van de ouders nauw met elkaar samenhangen worden ze hierna gezamenlijk besproken.
4.2.
Partijen hebben een geheel andere visie op wat er tussen hen is voorgevallen in het verleden. Zij zijn het er over eens dat er weer contact moet komen tussen de vader en [minderjarige], maar zijn het er niet over eens of dit contact (voorlopig) begeleid moet worden. Tijdens de zitting is met partijen besproken dat het van groot belang is dat de onderlinge verstandhouding en de communicatie tussen partijen verbetert en dat zij in onderling overleg tot afspraken over (de invulling van) de omgang komen. Het is partijen tijdens de zitting echter niet gelukt om overeenstemming te bereiken over de omgang tussen de vader en [minderjarige] gedurende de bodemprocedure. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter hierover een beslissing nemen en overweegt als volgt.
4.3.
Uitgangspunt is dat de vader als ouder van [minderjarige] in beginsel recht heeft op omgang met zijn zoon en dat [minderjarige] ook recht heeft op contact met zijn vader. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als sprake is van voldoende aannemelijk geworden bijzondere omstandigheden, die maken dat omgang tussen de vader en [minderjarige] niet in het belang is van [minderjarige]. Het moet dan gaan om ernstige en zwaarwegende omstandigheden in lijn met het bepaalde in artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.4.
Van het bestaan van dergelijke omstandigheden is in dit kort geding echter voorshands niet gebleken. De moeder heeft haar stellingen, die erop neerkomen dat de vader niet in staat is om zelfstandig voor [minderjarige] te zorgen, onvoldoende onderbouwd. Zo heeft zij geen stukken overgelegd waaruit een en ander blijkt.
Ook heeft de moeder geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat sprake is van een onveilige situatie voor [minderjarige] als hij bij de vader verblijft. De voorzieningenrechter neemt hierbij ook in aanmerking dat de vader inmiddels een eigen woonruimte heeft in [plaats] waar hij [minderjarige] kan ontvangen en waar [minderjarige] ook kan overnachten.
Dat [minderjarige] geen omgang met de vader wil hebben of dat omgang met de vader een zodanig ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en/of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] dat dit een opschorting of beperking van de omgang kan rechtvaardigen, is niet aannemelijk geworden. Gezien het voorgaande zijn daarom evenmin goede redenen aan te voeren om de omgang alleen onder toezicht van de moeder of een (professionele) derde te laten plaatvinden dan wel de omgang voorlopig te beperken tot alleen videobelmomenten, zoals de moeder heeft gevorderd. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om, vooruitlopend op de bodemprocedure, een raadsonderzoek te gelasten, zoals de moeder heeft bepleit.
4.5.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de omgang met zijn vader zo snel mogelijk wordt opgestart, zoals hierna is bepaald. Daarbij wijst de voorzieningenrechter ook het door de vader gevorderde met betrekking tot het zijn van leesouder toe, nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat het contact tussen de vader en [minderjarige] op deze wijze op ongedwongen wijze kan plaatsvinden en de voorzieningenrechter het in het belang van [minderjarige] acht dat dit zo veel als mogelijk ongewijzigd doorgaat.
4.6.
De voorzieningenrechter benadrukt dat het van groot belang is dat [minderjarige] onbelast omgang kan hebben met beide ouders en dat de ouders elkaar niet diskwalificeren. Dit betekent ook dat de ouders geen vragen aan [minderjarige] moeten stellen over (het leven van) de andere ouder.
4.7.
In de omstandigheid dat partijen ex-partners zijn en dit geschil hun kind betreft, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
5.1.
stelt als
voorlopigeomgangsregeling vast dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], iedere woensdag uit school tot 19.00 uur (na het avondeten) en gedurende een weekend per 14 dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader is, waarbij de vader [minderjarige] haalt en weer bij de moeder brengt, welke regeling zal ingaan vanaf maandag 5 januari 2026;
5.2.
bepaalt voor de kerstvakantie 2025 dat [minderjarige] bij de vader is van vrijdag 26 december 2025 om 10.00 uur tot zondag 28 december 2025 om 17.00 uur en dat [minderjarige] bij de vader is op woensdag 31 december 2025 van 10.00 uur tot 19.00 uur;
5.3.
bepaalt dat de vader op vrijdag leesouder kan zijn op school bij [minderjarige], zodat er op dat moment ook contact is tussen de vader en [minderjarige];
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.L. Strop, in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025 en (nader) schriftelijk uitgewerkt op 16 januari 2026.
AW