ECLI:NL:RBDHA:2025:26747

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/667483 / FA RK 24-4028
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling van de huwelijksgemeenschap

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 een beschikking gegeven in een echtscheidingsprocedure tussen een man en een vrouw, die in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. De man heeft op 4 juni 2024 een verzoek tot echtscheiding ingediend, waarop de vrouw heeft gereageerd met een verweerschrift en een zelfstandig verzoek. De rechtbank heeft vastgesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, wat door de vrouw niet is betwist, en heeft de echtscheiding uitgesproken.

De rechtbank heeft ook beslissingen genomen over het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man is vanaf 1 april 2026 bevoegd om de echtelijke woning te bewonen, met de verplichting om de vrouw een bedrag van € 125.000,- te betalen voor haar aandeel in de woning, die is gewaardeerd op € 250.000,-. Indien de man niet in staat is om de vrouw uit te kopen, zal de woning verkocht worden en zal de overwaarde gelijk verdeeld worden.

Daarnaast zijn er afspraken gemaakt over de verdeling van de bankrekeningen, de beleggingsrekening bij Saxo, en de kapitaalverzekeringen bij Achmea en Interpolis. De rechtbank heeft bepaald dat de bankrekeningen en de beleggingsrekening aan de man worden toegedeeld, onder verrekening van de saldi per peildatum. De kapitaalverzekeringen moeten bij helfte worden gedeeld. De vrouw is ook verplicht om een bedrag van € 3.789,- aan de man te betalen ter zake van de door hem betaalde gebruikslasten van de echtelijke woning. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de echtscheiding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-4028 (echtscheiding) / FA RK 25-6080 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/667483 (echtscheiding) / C/09/689957 (verdeling)
Datum beschikking: 19 december 2025

Scheiding

Beschikking op het op 4 juni 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.E. Sondorp te Gouda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Hoogeveen te Gouda.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de zijde van de man, ingekomen op 4 juni 2024;
  • het aanvullende verzoekschrift van de zijde van de man, ingekomen op 27 juni 2025;
  • het verweerschrift met een zelfstandig verzoek van de zijde van de vrouw, ingekomen op 23 juli 2025;
  • het verweerschrift tegen het zelfstandige verzoek van de zijde van de man, ingekomen op 5 augustus 2025;
  • het verweerschrift tegen de aanvullende verzoeken van de zijde van de vrouw, ingekomen op 20 augustus 2025;
  • de brief van 10 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;
  • de brief van 10 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [dag] 2003 te [plaats] .
- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

Verzoek en verweer

De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en -na wijziging-:
- het voortgezet gebruik van de echtelijke woning te [adres] , met inboedel toe te kennen aan de man;
- de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen conform het voorstel van de man;
- te bepalen dat de vrouw de helft van de door de man gemaakte kosten voor de vaste lasten verbonden aan de echtelijke woning en de kosten voor de jongmeerderjarige zoon van partijen dient te betalen, te weten een bedrag van € 9.622,-,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – onder referte ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig:
- het voortgezet gebruik van de echtelijke woning te [adres] , met inboedel toe te kennen aan de vrouw;
- de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen conform het voorstel van de vrouw,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Echtscheiding
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
Partijen hebben ieder voor zich verzocht om toekenning van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. Zij zijn het er inmiddels over eens dat het niet wenselijk is om nog veel langer samen in de woning te blijven wonen.
De rechtbank zal vanaf 1 april 2026 het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toekennen aan de man. Naar verwachting zal de man de vrouw kunnen uitkopen en de alleen-eigenaar van de echtelijke woning kunnen worden. Aangezien er geen hypotheek meer op de woning rust, zou een en ander snel moeten kunnen worden geregeld. De vrouw heeft op dit moment al een aanzienlijk bedrag aan spaargeld en na de toedeling van de echtelijke woning aan de man zal zij nog een flinke geldsom van de man ontvangen. Gelet hierop acht de rechtbank de vrouw in staat om een woning te gaan huren. De rechtbank geeft de vrouw nog enkele maanden de tijd om een geschikte woning te vinden. Op 1 april 2026 moet de vrouw de echtelijke woning hebben verlaten, ook in de situatie waarin zij nog geen vervangende woonruimte heeft gevonden.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) (tekst tot 1 januari 2018) worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat.
Bij de verdeling van de gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat partijen in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Als wettelijke peildatum voor het vaststellen van de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 4 juni 2024. Als peildatum voor de waardering geldt in het beginsel de datum van feitelijke verdeling.
Door partijen zijn de volgende (mogelijke) bestanddelen van de huwelijksgemeenschap naar voren gebracht:
1. de echtelijke woning te [adres] ;
2. de inboedel en de sieraden;
3. de bankrekeningen;
4. de beleggingsrekening bij Saxo;
5. de kapitaalverzekeringen bij Achmea en Interpolis;
6. onroerend goed in China.
Ad 1. De echtelijke woning
Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan de man kan worden toegedeeld tegen een waarde van € 250.000,-. Dit betekent dat de man een bedrag van € 125.000,- aan de vrouw moet voldoen. Op de zitting hebben partijen met elkaar afgesproken dat de man vanaf het moment dat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand vierenhalve maand de tijd krijgt om een en ander financieel rond te krijgen. In het geval dat de man er niet in slaagt om de vrouw uit te kopen, zal de woning moeten worden verkocht en overgedragen aan een derde. De bij verkoop gerealiseerde overwaarde zal ieder van partijen dan voor de helft toekomen.
Ad 2. De inboedel
Nu partijen het erover eens zijn dat zij de inboedel in onderling overleg zullen verdelen, hoeft ten aanzien van de inboedel geen beslissing meer te worden genomen.
De man heeft nog specifiek verzocht om toedeling van een tweetal sieraden, te weten zijn gouden ketting en zijn trouwring. Aangezien niet duidelijk is wie voormelde sieraden in zijn/haar bezit heeft, kan de rechtbank hierover geen beslissing nemen. Op de zitting hebben partijen met elkaar afgesproken dat in het geval de gouden ketting en de trouwring van de man weer worden gevonden, deze zullen worden toegedeeld aan de man.
Ad 3. De bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de bankrekeningen op naam van de man aan de man zullen worden toegedeeld, onder verrekening van de helft van de saldi per 4 juni 2024 met de vrouw, en dat de bankrekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw zullen worden toegedeeld, onder verrekening van de helft van de saldi per 4 juni 2024 met de man. De rechtbank zal overeenkomstig het voorgaande beslissen.
Het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw inzage moet geven in de afschriften van al haar bankrekeningen in Nederland en China over de periode 4 juni 2022 tot 4 juni 2024, zal worden afgewezen. De vrouw betwist dat zij bankrekeningen in China heeft en de man heeft zijn stelling niet nader onderbouwd.
Ad 4. De beleggingsrekening bij Saxo
De man heeft een beleggingsrekening bij Saxo. Hij stelt op deze rekening een door hem in 2014 ontvangen ontslagvergoeding van € 17.500,- te hebben gestort. Op de peildatum van
4 juni 2024 bedroeg het saldo op de beleggingsrekening € 32.208,77. Volgens de man betreft dit uitsluitend de ontslagvergoeding van € 17.500,- en het door de jaren heen ontvangen rendement. Aangezien in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat de ontslagvergoeding een aanvulling is op uitkeringen of lager loon, is de man van mening dat de ontslagvergoeding en de vruchten daarvan aan hem verknocht zijn en dat om die reden het saldo op de beleggingsrekening bij Saxo volledig aan hem toekomt.
Namens de vrouw is naar voren gebracht dat nergens uit blijkt dat de door de man ontvangen ontslagvergoeding dient ter compensatie van inkomensschade tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van de man. Daarnaast is niet aangetoond dat de ontslagvergoeding is gestort op de beleggingsrekening bij Saxo en dat op deze rekening geen andere bedragen zijn gestort.
De rechtbank zal de beleggingsrekening bij Saxo toedelen aan de man, onder verrekening van de helft van het saldo op de peildatum met de vrouw. Dat op de beleggingsrekening een door de man ontvangen ontslagvergoeding zou zijn gestort, is geen reden om het saldo op een andere manier te verdelen. Een ontslagvergoeding kan slechts verknocht zijn aan één van de echtgenoten voor zover deze ziet op gederfd inkomen in de periode na de echtscheiding. Nu de man zijn ontslagvergoeding heeft ontvangen in 2014, kan deze naar het oordeel van de rechtbank niet worden toegerekend aan de periode na de echtscheiding.
Ad 5. De kapitaalverzekeringen bij Achmea en Interpolis
De man heeft kapitaalverzekeringen bij Achmea en Interpolis. Aangezien partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen moeten deze kapitaalverzekeringen per de peildatum van 4 juni 2024 bij helfte worden gedeeld. Dat de rekeningen dienen als pensioen voor de man, maakt het voorgaande niet anders. Partijen zijn het erover eens dat bij de betreffende verzekeringsmaatschappijen moet worden nagevraagd hoe de kapitaalverzekeringen kunnen worden verdeeld.
Ad 6. Onroerend goed in China
De man heeft gesteld dat de vrouw onroerend goed in China bezit. Nu de vrouw dit heeft betwist en de man zijn stelling niet nader heeft onderbouwd, gaat de rechtbank hieraan voorbij.
Vorderingen man op vrouw
De man stelt een tweetal vorderingen op de vrouw te hebben, te weten:
a. een vordering van € 10.000,- op basis van artikel 3:194, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;
b. een vordering van € 9.622,- in verband met door hem na de peildatum betaalde vaste lasten.
Ad a. vordering op basis van artikel 3:194, tweede lid, BW
Op 24 mei 2012 heeft de vrouw een bedrag van € 10.000,- overgemaakt naar haar broer in China zonder dat de man hiervan op dat moment op de hoogte was. De man stelt zich primair op het standpunt dat de vrouw dit geld verzwijgt, zoek heeft gemaakt of verborgen houdt zoals bedoeld in artikel 3:194, tweede lid, BW en dat de vrouw het bedrag van
€ 10.000,- daarom volledig aan hem moet vergoeden. Subsidiair betoogt de man dat de vrouw het bedrag van € 10.000,- moet terugbetalen aan de gemeenschap, zodat hij recht heeft op een bedrag van € 5.000,-.
Naar het oordeel van de rechtbank komt de man geen vordering toe op grond van artikel 3:194, tweede lid, BW. De man weet al enkele jaren dat de vrouw in 2012 een bedrag van
€ 10.000,- naar haar broer heeft overgemaakt. Het is niet zo dat de vrouw het betreffende geldbedrag op dit moment nog in haar bezit heeft, zodat zij haar aandeel daarin ook niet aan de man kan verbeuren. Er is eveneens geen grond om de vrouw te veroordelen om een bedrag van € 10.000,- terug te betalen aan de gemeenschap. De vrouw had immers geen toestemming van de man nodig om tijdens het huwelijk geld uit te geven.
Ad b. vordering in verband met betaling vaste lasten
De man geeft aan na de peildatum een bedrag van in totaal € 19.244,- aan vaste lasten te hebben voldaan terwijl de vrouw geen enkele uitgave zou hebben gedaan. Hij stelt zich op het standpunt dat de vrouw de helft van voormeld bedrag aan hem moet voldoen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Gelet op het bepaalde in artikel 1:84 BW moeten partijen hun aandeel in de kosten van de huishouding (in eerste instantie) leveren naar rato van hun inkomen. Op de zitting is gebleken dat de man sinds de peildatum geen inkomen heeft gehad en de vrouw wel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vrouw ten minste de helft van de kosten van de huishouding had kunnen voldoen. De vrouw heeft aangegeven dat zij na de peildatum ook kosten voor de jongmeerderjarige zoon van partijen en kosten voor voeding heeft gemaakt. Zij heeft echter niet weersproken dat de man de gebruikslasten van de echtelijke woning volledig heeft voldaan. De voor de gebruikslasten door de man opgevoerde bedragen (in totaal € 7.577,-) komen de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vrouw de helft van voormeld bedrag van € 7.577,-, te weten € 3.789,-, aan de man moet voldoen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 2003 te [plaats] ;
*
bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is om vanaf 1 april 2026 de bewoning van de echtelijke woning te [adres] , en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten, tot het tijdstip van de eigendomsoverdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man, dan wel van de eigendomsoverdracht van de woning aan een derde, althans tot zes maanden na de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand;
*
bepaalt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap het volgende:
1. ten aanzien van de echtelijke woning te [adres] , geldt het volgende:
- de man krijgt vanaf het moment dat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand vierenhalve maand de tijd om te realiseren dat hij de woning zal overnemen tegen een waarde van € 250.000,- onder de verplichting aan de vrouw een bedrag te voldoen van € 125.000,-;
- in het geval de man er niet in slaagt om de vrouw uit te kopen, zal de woning moeten worden verkocht en overgedragen aan een derde, waarbij geldt dat de bij verkoop gerealiseerde overwaarde ieder van partijen voor de helft zal toekomen;
2. de bankrekeningen op naam van de man worden toegedeeld aan de man, onder verrekening van de helft van de saldi per 4 juni 2024 met de vrouw, en de bankrekeningen op naam van de vrouw worden toegedeeld aan de vrouw, onder verrekening van de helft van de saldi per 4 juni 2024 met de man, waarbij partijen gehouden zijn elkaar inzage te geven in de saldi op de peildatum;
3. de beleggingsrekening bij Saxo wordt toegedeeld aan de man, onder verrekening van de helft van het saldo per 4 juni 2024 met de vrouw;
4. de kapitaalverzekeringen bij Achmea en Interpolis moeten per 4 juni 2024 bij helfte worden gedeeld;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man een bedrag van € 3.789,-, moet voldoen ter zake van de door de man sinds 4 juni 2024 betaalde gebruikslasten van de echtelijke woning;
*
verklaart deze beschikking – tot zover en met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 december 2025.