ECLI:NL:RBDHA:2025:26714

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 januari 2026
Zaaknummer
C/09/694215 en C/09/690125
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en aanhouding verzoek machtiging uithuisplaatsing van minderjarigen

Op 18 december 2025 heeft de kinderrechter in de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van vier minderjarigen, [de minderjarige 1], [de minderjarige 2], [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd tot 24 december 2026 en het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode van zes maanden aangehouden. De kinderrechter oordeelde dat de zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen nog steeds aanwezig zijn, met name door het middelengebruik van de moeder en de onveilige situatie bij de ouders. De moeder heeft aangegeven zich in te spannen om de zorgen te verminderen en heeft hulp gezocht, maar de kinderrechter constateert dat de zorgen nog steeds groot zijn. De kinderrechter heeft besloten dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft om de hulpverlening te coördineren en dat er een update moet worden gegeven voor de volgende zitting, die voor 1 april 2026 gepland moet worden. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers:
I. C/09/690125 / JE RK 25- 1449
II. C/09/694215 / JE RK 25-1894
Datum uitspraak: 18 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over:
I.
Een verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing
II.
Een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2022 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
[de minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2024 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift (zaaknummer C/09/690125) met bijlagen, ontvangen op 15 augustus 2025;
  • het bericht van de gecertificeerde instelling van 27 augustus 2025 inhoudende het verzoek tot aanhouding met één maand:
  • het bericht van de gecertificeerde instelling van 2 oktober 2025, met bijlage, tevens houdende het verzoek tot aanhouding met drie maanden;
  • het verzoekschrift (zaaknummer C/09/694215) met bijlagen, ontvangen op 6 november 2025, tevens houdende het verzoek tot gecombineerde behandeling met het verzoek in de zaak met zaaknummer C/09/690125;
  • het verweerschrift van de zijde van de moeder, ingekomen 10 december 2025, met bijlagen;
  • het bericht van de zijde van de moeder van 16 december 2025, met bijlagen;
  • het bericht van de gecertificeerde instelling van 16 december 2025, met bijlage, tevens houdende een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing voor alle kinderen voor de duur van zes maanden.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling
  • de moeder met haar advocaat;
  • [de stiefvader] , de stiefvader als toehoorder.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] zijn erkend door de vader.
2.2.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.3.
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden zijn de vader en de moeder belast met het ouderlijk gezag.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 december 2024 [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] onder toezicht gesteld tot 24 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt in de zaak met zaaknummer C/09/690125 een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt in de zaak met zaaknummer C/09/694215 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar. Uit het bericht van 16 december 2025 en de toelichting hierop ter zitting volgt dat de gecertificeerde instelling een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg verzoekt voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling licht de verzoeken als volgt toe. De Raad heeft geconcludeerd in december 2024 dat er sprake is van structurele onveiligheid in de opvoedsituatie bij de ouders. Er zijn zorgen op de gebieden: financiën, relaties en persoonlijke problematiek, die door de ouders onvoldoende worden erkend. Daarbij lukt het de ouders niet om afspraken met laagdrempelige hulp na te komen. Het gezin is bekend bij de politie i.v.m. geluidsoverlast, huiselijk geweld van de vader naar moeder, alcohol, (online) gokverslaving van de vader en cocaïnegebruik van beide ouders. De vader heeft meerdere huis/contactverboden gehad. Er is een maatwerktraject opgezet vanuit Jeugdformaat, waarin er eerst in de ochtend en de avond een PM’er langskwam en later alleen in de avond. Vanaf juli 2025 zijn de zorgen toegenomen en deze zorgen waren eerst gericht op de hygiëne en het gedrag van de kinderen en later ook op het vermoeden van middelengebruik door de moeder. [de minderjarige 1] heeft aangegeven aan de PM’er dat er vaker een man langskwam die “snuif” voor de moeder onder de mat legde. De moeder heeft in augustus ook positief getest op middelengebruik. Om die reden is het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing in de zaak /09/690125 ingediend. Vervolgens is er in september 2025 een wisseling geweest van jeugdbeschermers en was VUHP van Jeugdformaat recent gestart. De moeder heeft toen opnieuw positief getest op middelengebruik, waar de moeder eerlijk over vertelde. Vervolgens zijn nieuwe aangescherpte veiligheidsafspraken gemaakt (ook door de vrijlating van de vader) om de moeder een kans te geven nu VUHP pas recent was gestart. Er volgde op 30 oktober een nieuwe positieve test waarin de moeder buitenshuis samen met de vader drugs heeft gebruikt en daarna met de auto naar huis is gereden. Er is toen voor gekozen de moeder maximaal te bewegen om zich in te zetten voor de kinderen. De focus van de moeder lijkt niet te liggen op het risico dat zij neemt met het gebruik, maar met name op het begrip dat de moeder door spanning wel eens cocaïne gebruikt, de druk van de hulpverlening op de moeder, de fouten die de hulpverleners maken en op het gedrag van de vader. De gecertificeerde instelling ziet dat het de ouders sinds het begin van de ondertoezichtstelling niet lukt om de veiligheidsafspraken na te komen. De gecertificeerde instelling blijft daarom telkens afwegen of een uithuisplaatsing nodig is voor de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen. Om de kinderen te blijven volgen is een verlenging van de ondertoezichtstelling dan ook nodig.
Om ouders duidelijk te maken dat zij in actie moeten komen en hun gedrag moeten veranderen, waarbij hun focus verplaatst van de falende hulpverleners naar hun eigen gedrag, zijn er een aantal voorwaarden op 5 november 2025 opgesteld en aan de ouders schriftelijk verstuurd. Als een afname van de zorgen wordt gezien is een uithuisplaatsing niet nodig. Blijven de zorgen gelijk of nemen ze toe, dan wordt het verzoek tot uithuisplaatsing doorgezet.
In de brief van 16 december 2025 heeft de gecertificeerde instelling uiteengezet dat de ouders zich onvoldoende aan de gestelde voorwaarden hebben gehouden. De zorgen waren, zijn en blijven groot. Er is een duidelijk patroon zichtbaar waarin niet, of niet voldoende, wordt meegewerkt met de hulpverlening en waarbij beide ouders de hulpverlening beschuldigen en op afstand houden. Ouders reflecteren onvoldoende op hun handelen en nemen geen verantwoordelijkheid om aan de voorwaarden mee te werken. De mate waarin de moeder verslaafd is, is onduidelijk. De ouders geven wisselende informatie over de aanwezigheid van vader in de woning en de veiligheid kan niet worden gewaarborgd. Om die reden verzoekt de gecertificeerde instelling verzoekt de rechtbank om een machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van zes maanden. In deze periode kan de moeder zich wenden tot de verslavingszorg, en kan zij mogelijk een detoxfase in, kan zij een breed diagnostisch onderzoek laten verrichten en kunnen beide ouders samen duidelijkheid over hun relatie verschaffen zodat verder huiselijk geweld achterwege kan blijven.

4.De standpunten

4.1.
De moeder erkent dat er nog altijd zorgen zijn rondom de opvoedsituatie van de kinderen en verzet zich niet tegen verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder voert verweer tegen het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing. Volgens de moeder is hier geen noodzaak voor. In het verzoekschrift voor het verlengen van de ondertoezichtstelling geeft de gecertificeerde instelling (opnieuw) aan dat wanneer zij een afname van zorgen zien, zij overwegen het verzoek tot uithuisplaatsing in te trekken. Volgens de moeder heeft zij zich de afgelopen weken voortdurend ingespannen om de zorgen af te laten nemen en is een uithuisplaatsing daardoor niet noodzakelijk. Volgens de moeder voldoet zij ook aan het merendeel van de voorwaarden die de gecertificeerde instelling heeft gesteld op 5 november 2025. Volgens de moeder is de relatie met de vader definitief beëindigd en heeft zij hem afgelopen week laten weten geen contact meer te willen. De moeder wil graag hulp om deze ontwikkeling (geen contact, waarin de moeder inmiddels inziet dat vader niet zal veranderen en een negatieve invloed heeft) voort te zetten. De moeder heeft het juridisch loket ook benaderd om de vader uit te laten schrijven en hem van het huurcontract te halen. De moeder heeft ter zitting medegedeeld dat zij hiervoor in februari een afspraak met de advocaat heeft. Ook is inmiddels schuldhulpverlening geregeld. De moeder heeft verder nog geen IQ-test gedaan, omdat zij door de volledige zorg van de vier kinderen hier geen ruimte voor heeft kunnen maken en hiervoor ook mentaal weinig ruimte ervaart. Daarnaast heeft de moeder zich aangemeld bij Brijder. Ter zitting heeft de moeder erkend dat zij een drugsprobleem heeft en heeft zij aangegeven dat zij in januari een intake heeft bij de Brijder. Verder ervaart de moeder veel steun van beide grootmoeders en is zij langs de jeugdarts gegaan en lukt het haar de woning op orde te houden. Volgens de moeder is de hulp van VUHP sterk afgeschaald en doen zij alleen nog de speekseltesten en zijn zij binnen 20 minuten weer weg. De moeder staat open voor de hulp vanuit VUHP en is bereid hieraan mee te werken. Daarnaast ziet ook school een positieve ontwikkeling bij de moeder. Volgens de moeder is er daarom geen noodzaak voor een uithuisplaatsing; er heeft zich een positieve ontwikkeling voorgedaan, de minderjarigen gaan consistent naar school en moeder staat open en zet zich in voor hulp. De moeder geeft aan dat de gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat de kinderen niet samen uit huis geplaatst zullen kunnen worden en dat een uithuisplaatsing ook een zeer negatieve impact zal hebben op de kinderen.
4.2.
Volgens het EHRM moet in principe voorrang worden gegeven aan het ondersteunen van de opvoedcapaciteiten van de ouders en mag het kind slechts bij de ouders worden weggehaald als er geen andere manier is om het kind te beschermen. Daarbij laat de gecertificeerde instelling volgens de moeder na om te onderbouwen wat thans, gegeven de reeds uitvoerig door de moeder beschreven positieve ontwikkelingen, maakt dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat de zorgen over de opvoedsituatie onvoldoende zijn afgenomen. Er zijn nog altijd zorgen over de onderlinge relatie tussen de ouders, waarin eerder huiselijk geweld heeft gespeeld en over het middelengebruik en de persoonlijke problematiek van de moeder, waardoor zij mogelijk onvoldoende emotioneel en fysiek beschikbaar kan zijn voor de kinderen. Daarbij komt dat de moeder wisselend is in de medewerking met de hulpverlening en dat de hulpverlening ervaart dat de inzet nog onvoldoende heeft geleid tot probleembesef en veranderingen. Daarnaast ziet de kinderrechter ook voorzichtige positieve ontwikkelingen. Zo lijkt de basale verzorging van de kinderen en de hygiëne van de woning te zijn verbeterd. Ook vanuit school wordt een positieve ontwikkeling gezien met betrekking tot de aanwezigheid van de kinderen op school en het gedrag van [de minderjarige 1] . School geeft verder aan dat zij in goed contact staan met de moeder.
5.3.
De kinderrechter overweegt dat een uithuisplaatsing diep ingrijpt in het leven van de kinderen. Ter zitting heeft de moeder aangegeven er alles aan te willen doen om er voor te zorgen dat de kinderen thuis kunnen blijven wonen. De kinderrechter ziet dat de zorgen nog groot zijn, maar weegt ook mee dat de moeder verbetering heeft laten zien met betrekking tot de basale verzorging en schoolgang. Ter zitting heeft de moeder erkend dat zij aan de slag moet met de door de gecertificeerde instelling op 5 november 2025 gestelde voorwaarden en heeft zij ook aangegeven daartoe bereid te zijn. Ter zitting is besproken dat het belangrijk is dat er duidelijkheid komt over het einde van de relatie met de vader en dat hier naar gehandeld wordt, onder meer door het regelen van het uitschrijven van de vader uit de woning. De moeder is hiertoe bereid en staat open voor hulpverlening op dit punt, bijvoorbeeld in de vorm van weerbaarheidstraining. Verder moeten de afspraken rondom de begeleide omgang tussen de vader en de kinderen worden nagekomen. Daarnaast is belangrijk dat de moeder hulp zoekt en accepteert met betrekking tot haar middelengebruik. Tenslotte verwacht de kinderrechter van de moeder dat zij open staat voor hulpverlening in de opvoedsituatie. Het is daarbij niet helpend als verwijten worden gemaakt richting de hulpverlening; het is zaak dat de moeder zich richt op haar eigen doelen en daarmee aan de slag gaat. De kinderrechter begrijpt dat het voor de moeder, door haar persoonlijke problematiek, soms lastig kan zijn haar emoties te reguleren. Het is echter van belang dat de moeder zich er voor inzet dat de kinderen hier niet mee belast worden. De kinderrechter gaat er vanuit dat de moeder deze kans aangrijpt om de positieve stappen die zij eerder heeft gezet verder uit te breiden. De kinderrechter acht het van belang om dit proces verder te volgen, om deze reden zal het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing worden aangehouden.
5.4.
Gelet op het vorenstaande zal de kinderrechter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling toewijzen. De kinderrechter vindt het belangrijk, gelet op de zorgen die er nog altijd zijn, dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft om regie te voeren op de inzet van de hulpverlening voor het wegnemen van de zorgen. De kinderrechter zal het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden aanhouden voor een periode van drie maanden en verzoekt de gecertificeerde instelling om
uiterlijk één weekvoor de nader te plannen zitting een update aan de rechtbank en belanghebbenden toe te sturen, met daarin ook het standpunt ten aanzien van het aangehouden verzoek. Het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling in de zaak met zaaknummer C/09/690125 zal worden afgewezen, nu dit verzoek zag op de lopende ondertoezichtstelling die liep tot 24 december 2025.
5.5.
De beslissing over de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] tot 24 december 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] voor de duur van zes maanden aan tot
een nader te bepalen zitting, gelegen voor 1 april 2026, bij voorkeur te plannen bij mr. O.F. Bouwman, tegen welke zitting de gecertificeerde instelling, de vader en de moeder met haar advocaat dienen te worden opgeroepen;
6.4.
de kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling om
uiterlijk één weekvoorafgaand aan voornoemde zitting een schriftelijke update te overleggen aan de rechtbank en de belanghebbenden en haar standpunt ten aanzien van het aangehouden verzoek kenbaar te maken;
6.5.
wijst af het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg in de zaak met zaaknummer C/09/690125 / JE RK 25-1449.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 16 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.