Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw, die op [datum] 2022 te [plaats 1] zijn gehuwd en samen een minderjarig kind hebben. De man, met de Turkse nationaliteit, en de vrouw, met de Bulgaarse nationaliteit, hebben gezamenlijk het gezag over hun kind, geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats]. De man heeft op 2 oktober 2025 een verzoek tot echtscheiding ingediend, met nevenvoorzieningen, waaronder de toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning aan de man. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, aangezien de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond ten tijde van de indiening van het verzoekschrift. Op basis van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht van toepassing op het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft geoordeeld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, wat door de vrouw niet is betwist, en heeft het verzoek tot echtscheiding toegewezen.
Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de man om het ouderschapsplan, dat door beide partijen is ondertekend, aan de beschikking te hechten, toegewezen. De rechtbank heeft bepaald dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking, in het belang van het minderjarige kind. Wat betreft het huurrecht van de echtelijke woning, heeft de rechtbank vastgesteld dat beide partijen het erover eens zijn dat het huurrecht aan de man kan worden toegekend. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding, en is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter en kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier.