ECLI:NL:RBDHA:2025:26682

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 januari 2026
Zaaknummer
C/09/688434 / FA RK 25-5309
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging erkenning en eenhoofdig gezag met DNA-onderzoek

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 18 december 2025 een beschikking gegeven inzake de vernietiging van de erkenning van een minderjarige en de toekenning van eenhoofdig gezag aan de moeder. De moeder heeft verzocht om de erkenning van haar kind, geboren op [geboortedatum 1] 2024, door de juridische vader te vernietigen, omdat zij stelt dat hij niet de biologische vader is. De rechtbank heeft op basis van de ingediende stukken en het verzoekschrift, dat op 3 juli 2025 is ingekomen, besloten dat er een DNA-onderzoek moet plaatsvinden om de biologische afstamming vast te stellen. De juridische vader heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen op de zitting. De rechtbank heeft de bijzondere curator, mr. G.B. van de Bunt, benoemd om de belangen van het kind te behartigen. De rechtbank heeft de beslissing over de vernietiging van de erkenning en het verzoek om eenhoofdig gezag pro forma aangehouden tot 1 april 2026, in afwachting van de resultaten van het DNA-onderzoek. De rechtbank heeft Verilabs benoemd als deskundige voor het DNA-onderzoek en partijen verplicht om mee te werken aan dit onderzoek. De kosten van het DNA-onderzoek komen voor rekening van de moeder, maar zij heeft een toevoeging gekregen, waardoor er geen voorschot wordt opgelegd. De rechtbank benadrukt dat de uitkomst van het DNA-onderzoek van belang zal zijn voor de uiteindelijke beslissing over de erkenning en het gezag.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5309
Zaaknummer: C/09/688434
Datum beschikking: 18 december 2025

Vernietiging erkenning c.q. eenhoofdig gezag

Beschikking op het op 3 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.S. Polat in Rijswijk.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de juridische vader],

de juridische vader,
volgens de Registratie Niet Ingezetenen (RNI) sinds 31 december 2024 geëmigreerd naar een onbekend land,
en inzake het verzoek tot vernietiging erkenning:
de minderjarige
[minderjarige 1],geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1],
in rechte vertegenwoordigd door mr. G.B. van de Bunt, advocaat in Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

Bij beschikking van 22 juli 2025 is mr. G.B. van de Bunt benoemd als bijzondere curator en is iedere verdere beslissing pro forma aangehouden tot 15 september 2025.
De rechtbank heeft (opnieuw) kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het rapport en advies van de bijzondere curator, ingekomen op 9 november 2025.
Op 20 november 2025 is de zaak in de vorm van
een gecombineerde behandelingmet het verzoek tot ondertoezichtstelling (C/09/691935 en JE RK 25-1639) op de zitting van deze rechtbank behandeld. Op dat verzoek is op de zitting al mondeling beslist. De schriftelijke uitwerking daarvan wordt bij afzonderlijke beschikking vastgesteld.
Op de zitting zijn verschenen:
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat en een tolk;
  • de bijzondere curator (via een videoverbinding);
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De vader is opgeroepen in de Staatscourant van 27 oktober 2025, nummer 36873, maar is niet op de zitting verschenen.

Feiten

  • De moeder en de juridische vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Uit de moeder zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:
  • [minderjarige 2], op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats 2];
  • [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1].
  • De juridische vader heeft [minderjarige 2] erkend op 14 november 2024. Op de erkenning is Nederlands recht toegepast. De moeder en de juridische vader oefenen van rechtswege gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 2]. [minderjarige 2] woont bij de moeder.
  • De juridische vader heeft [minderjarige 1] erkend op 28 oktober 2024. Op de erkenning is Pools recht toegepast. De moeder en de juridische vader oefenen van rechtswege gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1]. [minderjarige 1] woont bij de moeder.
  • De moeder, de juridische vader en de kinderen hebben de Poolse nationaliteit.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • een bijzonder curator te benoemen over [minderjarige 1];
  • de erkenning van [minderjarige 1] door de juridische vader te vernietigen;
  • naar de rechtbank begrijpt voorwaardelijk: te bepalen dat de moeder alleen is belast met het gezag over [minderjarige 1].
De bijzondere curator verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de moeder in de gelegenheid te stellen aanvullend bewijs te leveren van het feit dat de
juridische vader niet de verwekker is van [minderjarige 1];
  • als de moeder daarin niet slaagt, het verzoek tot vernietiging van de erkenning af te wijzen;
  • als de moeder daarin wel slaagt, het verzoek opnieuw op zitting te behandelen.
De juridische vader heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Vernietiging erkenning
Rechtsmacht
Op grond van artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot vernietiging van de erkenning.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 10:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in combinatie met artikel 10:95 BW wordt de vraag op welke wijze een erkenning teniet kan worden gedaan bepaald door het recht dat op de erkenning van het kind is toegepast. Uit de geboorteakte en de daarbij behorende latere vermelding betreffende erkenning blijkt dat op de erkenning Pools recht is toegepast. Daarom is Pools recht van toepassing op het verzoek tot vernietiging van de erkenning.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder stelt dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige 1] is. Ten tijde van de conceptie van [minderjarige 1] had de moeder geslachtsgemeenschap met een andere
man, van wie zij overtuigd is dat hij de biologische vader van [minderjarige 1] is. Die biologische
vader is tijdens de zwangerschap van de moeder uit beeld geraakt, waarna de juridische vader [minderjarige 1] heeft erkend.
Volgens de bijzondere curator kan het verzoek van de moeder niet worden toegewezen zonder aanvullend bewijs dat de juridische vader niet de biologische vader is van
[minderjarige 1]. Er zal een DNA-test moeten volgen, danwel ander sterk bewijs geleverd moeten worden dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige 1] is, voordat het verzoek verder inhoudelijk beoordeeld kan worden.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 78 lid 1 van het Poolse Familie- en Voogdijwetboek (Kodeks rodzinny i opiekuńczy) kan een man die het vaderschap heeft erkend, een vordering instellen om de ongeldigheid van de erkenning vast te stellen, binnen een jaar vanaf de datum waarop hij heeft vernomen dat het kind niet van hem afstamt. In het geval van erkenning van het vaderschap vóór de geboorte van een reeds verwekt kind, kan deze termijn niet beginnen te lopen voordat het kind is geboren. Artikel 79 van het Poolse Familie- en Voogdijwetboek bepaalt dat de bepalingen inzake de vaststelling van de ongeldigheid van de erkenning van het vaderschap dienovereenkomstig van toepassing zijn op de moeder van het kind bij wie het vaderschap is bevestigd. Nog niet duidelijk is of de moeder naar Pools recht kan verzoeken om de erkenning van [minderjarige 1] door de juridische vader te vernietigen, als -zoals de moeder stelt- zowel zij als de juridische vader ten tijde van de erkenning op de hoogte waren van het feit dat [minderjarige 1] niet het biologische kind van de vader is.
Zoals op de zitting al is besproken, zal de rechtbank eerst een DNA-onderzoek gelasten voordat het verzoek van de moeder (inhoudelijk) zal worden beoordeeld. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 1] dat duidelijkheid bestaat over het eventuele verwekkerschap van de juridische vader. De rechtbank zal daarbij, zoals te doen gebruikelijk, Verilabs benoemen als deskundige. Gelet op de proceshouding van de juridische vader – die niet in de procedure en niet op de zitting is verschenen en niet heeft gesproken met de bijzondere curator – heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat de moeder en de juridische vader een DNA-onderzoek op eigen gelegenheid kunnen regelen. De rechtbank benadrukt hierbij dat partijen op grond van artikel 198 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verplicht zijn om mee te werken aan het gelaste DNA-onderzoek. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.
De bewijslast rust op de moeder als verzoekende partij en daarom behoren de kosten van het DNA-onderzoek op voorhand door haar te worden gedragen. Omdat aan de moeder een toevoeging is verleend, zal haar ter zake van het DNA-onderzoek geen voorschot worden opgelegd. Bij de beslissing over wie uiteindelijk de kosten van het DNA-onderzoek moet betalen, kan de medewerking daaraan en de uitslag daarvan van belang zijn. De moeder en de juridische vader moeten er dan ook beiden rekening mee houden dat zij bij de eindbeschikking tot betaling van deze kosten (of ieder tot een gedeelte daarvan) kunnen worden veroordeeld.
In navolging op het Besluit DNA-onderzoek vaderschap van 20 oktober 2008 houdende de vereisten die zijn gesteld aan het vaderschapsonderzoek in verband met erkenning bedoeld in artikel 4 vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap, dat op 1 maart 2009 in werking is getreden, stelt de rechtbank als eis dat uit het rapport moet blijken dat het onderzoek is verricht in een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007).
De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het DNA-onderzoek iedere verdere beslissing over de vernietiging van de erkenning pro forma aanhouden tot 1 april 2026. De rechtbank verwacht van de advocaat van de moeder, de juridische vader en de bijzondere curator dat zij zich uiterlijk op die datum hebben uitgelaten over de stand van zaken en het resultaat van het DNA-onderzoek, wat dit betekent voor het verzoek van de moeder om de erkenning van [minderjarige 1] door de juridische vader te vernietigen en of de moeder gelet op hetgeen hiervoor is overwogen- ontvankelijk is in haar verzoek.
Eenhoofdig gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de moeder om haar voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] te belasten.
Inhoudelijke beoordeling
Zoals op de zitting al is besproken, zal de rechtbank in afwachting van de resultaten van het DNA-onderzoek iedere verdere beslissing op het verzoek van de moeder om haar voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] te belasten ook pro forma aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
beveelt een onderzoek door een deskundige van het DNA van:
1. de man: [de juridische vader], geboren op [geboortedatum 3] 1979 in [geboorteplaats 3], Polen,
2. de minderjarige: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1],
en legt aan deze deskundige de vraag voor welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man;
benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten en de bovenstaande vraag zal beantwoorden een deskundige verbonden aan Verilabs Nederland B.V., Noothoven van Goorstraat 11D, 2806 RA Gouda (telefoonnummer 085 – 105 14 15);
beveelt dat partijen binnen twee weken na de datum van deze beschikking telefonisch een afspraak maken met Verilabs;
bepaalt dat de benoemde deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht omtrent zijn onderzoek
uiterlijk op 15 maart 2026, vergezeld van zijn declaratie zal zenden naar de griffie van deze rechtbank, team Familie, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag;
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing
over de vernietiging erkenning en het eenhoofdig gezagaan
tot 1 april 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 december 2025.